ECLI:NL:RBDHA:2017:13284

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 oktober 2017
Publicatiedatum
16 november 2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 GezinsherenigingsrichtlijnArt. 10, eerste lid, GezinsherenigingsrichtlijnArt. 16, eerste lid, aanhef en onder b, Gezinsherenigingsrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens aannemelijk huwelijk en feitelijke gezinsband

Eiseres, van Eritrese nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis, welke door verweerder werd afgewezen wegens twijfel aan haar identiteit en de rechtsgeldigheid van het huwelijk met referent. Na bezwaar en beroep stelde de rechtbank vast dat de identiteit van eiseres voldoende was aangetoond en dat het huwelijk rechtsgeldig was gesloten op 14 juli 2014, vóór de binnenkomst van referent in Nederland.

Verweerder stelde dat geen feitelijke gezinsband bestond omdat de samenwoning slechts kort was en het huwelijk gearrangeerd zou zijn zonder instemming van referent. De rechtbank oordeelde dat op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn geen aanvullende voorwaarden aan echtgenoten gesteld mogen worden, zoals het aantonen van een feitelijke gezinsband, indien het huwelijk rechtsgeldig is.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen, waarbij de afwijzing wegens ontbreken van een feitelijke gezinsband niet standhoudt. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiseres. De uitspraak bevestigt de bescherming van gehuwde partners in het vreemdelingenrecht en benadrukt de toepassing van Europese richtlijnen.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens aannemelijk huwelijk en geen eis van feitelijke gezinsband.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 17/4026

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

gemachtigde mr. R. Bom,
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie: thans de minister van Veiligheid en Justitie,verweerder,
gemachtigde mr. A. Peeters.

Procesverloop

Bij (primair) besluit van 3 mei 2016 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis afgewezen.
Eiseres heeft hiertegen op 25 mei 2016 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.
Bij besluit van 31 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.
Op 21 februari 2017 heeft eiseres tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Er is een verweerschrift ingediend.
Het beroep is ter zitting behandeld op 24 april 2017. Eiseres is verschenen bij haar gemachtigde, alsmede bij mr. R. Deniz, kantoorgenote van haar gemachtigde. Voorts is verschenen [referent] (referent). Verder is verschenen Z. Haile, tolk. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.
Bij beslissing van 26 april 2017 heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Daarin heeft de rechtbank geoordeeld dat in het licht van de door eiseres en referent verstrekte identiteitsgegevens nader onderzoek door verweerder nodig is naar de door eiseres overgelegde huwelijksakte.
Op 11 mei 2017 heeft verweerder een nadere reactie ingediend. Van de zijde van eiseres is geen reactie ingekomen.
Verweerder heeft ingestemd met het achterwege laten van een nadere zitting. Eiseres wordt geacht in stemmen met het achterwege laten van een nadere zitting, nu zij niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft gereageerd.

Overwegingen

1. Eiseres is van Eritrese nationaliteit. Zij is geboren op [geboortedatum]. Op 25 september 2015 is aan referent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Referent heeft op 13 oktober 2015 een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis voor eiseres aangevraagd.
2. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres haar identiteit niet door middel van documenten heeft aangetoond terwijl daar wel om was gevraagd. Voorts heeft verweerder gesteld dat niet te beoordelen is of de door eiseres en referent overgelegde huwelijksakte wettig is. Verweerder verwijst daarvoor naar het onderzoek van het Team Onderzoek en Expertise Documenten (TOED) van 26 april 2016. Verweerder stelt verder dat ook indien sprake is van een wettig huwelijk tussen eiseres en referent, evenals het geval is met een partnerschapsrelatie, getoetst dient te worden of sprake is een feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent die reeds bestond voor binnenkomst van referent in Nederland.
3. Verweerder stelt dat van een feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent geen sprake is geweest. Daarbij wijst verweerder erop dat de samenwoning van eiseres en referent na het sluiten van het huwelijk op 14 juli 2014 slechts een korte periode van een paar dagen of van vier weken duurde en niet gebleken is dat de samenwoning om asielgerelateerde redenen teneinde is gekomen. Volgens verweerder is ook niet gebleken dat eiseres en referent gedurende de samenwoning wederzijds afhankelijk zijn geweest. Na het vertrek van referent uit Eritrea op 15 augustus 2014 tot zijn inreis in Nederland op 30 juni 2015 heeft referent slechts één keer contact gehad met zijn familie, waaronder eiseres.
Verweerder stelt dat het huwelijk was gearrangeerd zonder medeweten of instemming van referent. Hiervoor verwijst verweerder naar de verklaring van referent dat hij sinds februari 2011 in militaire dienst zat zonder verlof te hebben gehad.
4. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat de identiteit van eiseres alsnog is aangetoond en daartoe heeft zij een kopie van haar identiteitsdocument overgelegd. Naar de mening van eiseres ligt het op de weg van verweerder om onderzoek in te stellen naar de echtheid van de overgelegde huwelijksakte. Verder stelt eiseres dat sprake is geweest van een partnerschapsrelatie die slechts om asielgerelateerde redenen is onderbroken. Eiser wijst erop dat de wijze waarop zij hun relatie vorm gaven past in de lokale cultuur en traditie. Verweerder gaat er volgens eiseres er ook aan voorbij dat het zeer lastig is om contact te krijgen met personen buiten Eritrea.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Gelet op de reactie van verweerder van 11 mei 2017 stelt de rechtbank vast dat de rechtsgeldigheid van het huwelijk van eiseres en referent niet meer in geschil is en dat van de echtheid van dat huwelijk kan worden uitgegaan.
6. Aanvullend heeft verweerder zich in deze reactie op het standpunt gesteld dat dit niet wegneemt dat referent dient aan te tonen dat zijn huwelijkspartner op het moment van zijn binnenkomst in Nederland feitelijk tot zijn gezin behoorde.
7. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:455) over de uitleg van Hoofdstuk V van de Richtlijn 2003/86 EG (Gezinsherenigingsrichtlijn) volgt dat het ontbreken van een feitelijke gezinsband niet mag worden tegengeworpen als vaststaat dat sprake is van een huwelijk naar Nederlands internationaal privaatrecht dat reeds voor binnenkomst van de referent in Nederland bestond.
8. Gelet op het gewijzigde standpunt van verweerder over de rechtsgeldigheid van het huwelijk staat vast dat het huwelijk van eiseres en referent is gesloten op 14 juli 2014 en dat het huwelijk voor binnenkomst van referent in Nederland op 30 juni 2015 reeds bestond. Hieruit volgt dat naar het oordeel van de rechtbank voldaan is aan de vereisten van Hoofdstuk V van de Gezinsherenigingsrichtlijn.
9. Het standpunt van verweerder over het ontbreken van een feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent, waarbij verweerder gewezen heeft op tegenstrijdige verklaringen over de duur van de samenwoning, de korte duur van de samenwoning, het eenmalige contact van referent met eiseres in januari 2015 en het gearrangeerd zijn van het huwelijk, is, gelet op voormelde uitspraak van de Afdeling, niet van belang. Immers gelet op artikel 10, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 4, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, kunnen aan echtgenoten geen nadere voorwaarden worden gesteld.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voor het vereiste van feitelijke gezinsband ten onrechte gewezen op artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Deze bepaling ziet door zijn plaatsing in Hoofdstuk VII van Gezinsherenigingsrichtlijn op misbruik en op de situatie dat sprake is van een schijnhuwelijk. Deze bepaling is niet bedoeld voor een nadere invulling van de definitie van gezinsleden genoemd in artikel 4 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn. Weliswaar heeft verweerder gesteld dat tussen eiseres en referent sprake zou zijn van een gearrangeerd huwelijk, maar hieruit volgt niet zonder meer dat ook sprake zou zijn van een schijnhuwelijk of fraude.
11. Gelet komt de rechtbank tot de slotsom dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Nu de rechtbank niet zelf een verblijfsvergunning kan verlenen, zal de rechtbank niet zelf voorzien in de zaak.
12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990 (negenhonderdnegentig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Evenhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Afschrift verzonden aan partijen op: