ECLI:NL:RBDHA:2017:5382
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag Irak wegens onvoldoende bewijs en veilig vestigingsalternatief
Eiser, een Iraakse asielzoeker, diende in 2015 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag werd door de staatssecretaris afgewezen op grond van het ontbreken van geloofwaardige elementen in het asielrelaas, met name het niet aannemelijk maken van zijn lidmaatschap van de Shabak minderheid en het ontbreken van een reëel risico op eerwraak of vervolging bij terugkeer naar Irak.
De rechtbank overwoog dat eiser onvoldoende onderbouwing leverde voor zijn bewering tot de Shabak gemeenschap te behoren. De overgelegde verklaring van een derde was onvoldoende gemotiveerd en niet betrouwbaar. Daarnaast werd vastgesteld dat de veiligheidssituatie in Bagdad, het door verweerder als vestigingsalternatief aangewezen gebied, niet zodanig uitzonderlijk is dat internationale bescherming noodzakelijk is.
Ook de medische situatie van eiser, waaronder een ernstige depressie en PTSD, werd door het Bureau Medische Advisering beoordeeld als geen reden voor asiel, omdat geen medische noodsituatie bij terugkeer werd vastgesteld en behandeling in Irak mogelijk is. Het opgelegde inreisverbod en vertrektermijn werden eveneens als rechtmatig beoordeeld.
Gelet op deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om een verblijfsvergunning af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.