ECLI:NL:RBDHA:2018:11741
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis Eritrese echtgenote wegens onvoldoende identiteitsbewijs
Eiseres, een Eritrese vrouw die feitelijk in Ethiopië verblijft, heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis bij haar echtgenoot die een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd bezit. De aanvraag is door verweerder afgewezen omdat eiseres haar identiteit niet aannemelijk kon maken met officiële documenten.
Eiseres stelde dat zij originele huwelijks- en doopakten per aangetekende post had verzonden, maar kon dit niet aannemelijk maken door het ontbreken van een verzendbewijs. Verweerder heeft de overgelegde kopieën van documenten niet als substantieel bewijs erkend, mede omdat religieuze aktes niet als geldig identiteitsbewijs worden erkend en kopieën niet op echtheid kunnen worden onderzocht.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en dat het horen van eiseres en referent niet verplicht was. Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij aan de bewijsvereisten voldoet.
Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis is ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van identiteit.