ECLI:NL:RVS:2018:1640
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs identiteit en familierelatie
De staatssecretaris heeft de aanvraag van de Eritrese vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) te verkrijgen afgewezen vanwege het ontbreken van officiële documenten die haar identiteit en de familierelatie met de referent, haar echtgenoot, bevestigen. De vreemdeling heeft geen aannemelijk bewijs geleverd dat zij in bewijsnood verkeert, terwijl uit landeninformatie blijkt dat identiteitsdocumenten in Eritrea beschikbaar zijn, ook al is de situatie complex buiten de steden.
De rechtbank heeft het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard, waarbij zij onder meer heeft meegewogen dat de referent tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de registratie van hun kerkelijke huwelijksakte. De vreemdeling betoogde dat de rechtbank onvoldoende rekening hield met haar situatie als dorpsbewoner en dat fouten van Vluchtelingenwerk onvoldoende reden zijn om aanvullend onderzoek te weigeren.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het gewijzigde beoordelingskader van de staatssecretaris, waarbij ook onofficiële documenten worden betrokken en aanvullend onderzoek kan worden aangeboden, correct is toegepast. De tegenstrijdige verklaringen van de referent vormen een contra-indicatie voor aanvullend onderzoek. De grieven van de vreemdeling falen en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de mvv-aanvraag bevestigd.