ECLI:NL:RBDHA:2018:12409
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf voor Eritrese pleegkinderen wegens onvoldoende bewijs en geen meer dan normale emotionele banden
Eiseressen, twee Eritrese pleegkinderen, vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf aan bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, welke werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van hun identiteit en de familierechtelijke relatie met hun pleegouder, de referent. Ook werd geoordeeld dat er geen sprake was van meer dan normale emotionele banden tussen hen, zoals vereist onder artikel 8 EVRM Pro.
Eiseressen voerden aan dat verweerder de nieuwe vaste gedragslijn in Eritrese nareiszaken onjuist toepaste en dat aanvullend onderzoek, zoals DNA-onderzoek, had moeten plaatsvinden. De rechtbank oordeelde dat verweerder de bezwaren voldoende had gemotiveerd en dat de nieuwe vaste gedragslijn niet van toepassing was op reguliere verblijfsaanvragen bij pleegouder.
De rechtbank stelde vast dat de samenwoning tussen eiseressen en referent in Eritrea was geëindigd voordat referent naar Nederland kwam en dat er geen bewijs was van financiële of emotionele afhankelijkheid. Ook werd gewezen op het bestaan van een halfbroer die mogelijk zorg droeg. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiseressen werden vrijgesteld van griffierecht wegens betalingsonmacht.
Uitkomst: Het beroep van de Eritrese pleegkinderen tegen de afwijzing van hun machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.