Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 16 februari 2018 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 20 september 2017 (bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde asielprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en vanwege de toepasselijkheid van artikel 1(F), aanhef en onder (b), van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 (Vluchtelingenverdrag).
Overwegingen
Verder heeft de ABRvS overwogen dat in het kader van de toetsing van een zwaar inreisverbod ten volle aan de orde kan worden gesteld of een vreemdeling voldoet aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning. Indien een vreemdeling aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning voldoet, is daarmee in beginsel gegeven dat een tegen hem uitgevaardigd inreisverbod niet in stand kan blijven. Nu een verblijfsvergunning niet kan worden verleend zolang een zwaar inreisverbod voortduurt, vindt de rechterlijke toetsing of een vreemdeling aan die vereisten voldoet slechts plaats in het kader van een beroep tegen een zwaar inreisverbod.
Hetgeen tegen de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen is aangevoerd
Verder is niet in geschil dat de door eiser verrichte werkzaamheden vergelijkbaar zijn met vorenbedoelde werkzaamheden die de CIA heeft verricht dan wel heeft laten verrichten.
De passages in openbare rapporten en berichten van gezaghebbende onafhankelijke en objectieve bronnen waarnaar verweerder heeft verwezen bieden geen aanknopingspunt voor de juistheid van verweerders stelling dat eiser werkzaamheden heeft verricht voor opdrachtgevers die werkzaam waren voor de CIA.
Anders dan verweerder heeft gesteld, is de rechtbank van oordeel dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat hij heeft verklaard dat hij werkzaamheden heeft verricht voor opdrachtgevers die werkzaam waren voor de CIA. In het rapport aanvullend gehoor van 1 april 2015 staat weliswaar het volgende:
Hetgeen tegen de vastgestelde vertrektermijn en het uitgevaardigd inreisverbod is aangevoerd