ECLI:NL:RBDHA:2018:3420
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G. de Zeben - de Vries
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiseres diende op 19 december 2017 een asielaanvraag in, maar deze werd niet in behandeling genomen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op basis van de Dublinverordening. De Zweedse autoriteiten waren volgens artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening verantwoordelijk voor de aanvraag.
Eiseres voerde aan dat Nederland op grond van artikel 16, eerste lid, verantwoordelijk zou zijn vanwege haar gezinssituatie en haar afhankelijkheid van mantelzorg door haar dochter in Nederland. Tevens stelde zij dat verweerder het verzoek op grond van artikel 17 had Pro moeten overnemen vanwege haar medische situatie en de bijzondere omstandigheden.
De rechtbank oordeelde dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij afhankelijk is van haar dochter of dat haar dochter de enige zorgverlener is. Ook was niet gebleken dat Zweden niet adequaat voor haar zorg kan zorgen. Verweerder had voldoende gemotiveerd geweigerd het verzoek over te nemen en hoefde de informatie over de dochter niet te vermelden in het overnameverzoek. De rechtbank vond dat de medische situatie geen onevenredige hardheid oplevert en dat een BMA-onderzoek niet noodzakelijk was.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.