Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting.
pro forma), 1, 2, 12, 13 en 19 februari 2018 (
inhoudelijk).
2.De tenlastelegging.
- [slachtoffer 1 ] in de periode van 1 november 2011 tot en met 26 februari 2012 (feit 1);
- [slachtoffer 2 ] in de periode van 1 december 2011 tot en met 9 januari 2012 (feit 2);
- [slachtoffer 3] in de periode van 31 december 2011 tot en met 9 januari 2012 (feit 3).
3.Ontvankelijkheid van de officieren van justitie.
4.Bewijsoverwegingen.
verdachtedie samen met haar moeder de touwtjes in handen had; het was bijvoorbeeld verdachte die de meisjes sommeerde zich klaar te maken voor een klant en het was ook verdachte die de afspraken met de klanten maakte. Het geld moest vervolgens worden afgedragen aan verdachte of haar moeder. Van dwang door de moeder jegens verdachte is geenszins gebleken. Uit het dossier komen ook in het geheel geen feiten of omstandigheden naar voren waarin een reden kan worden gevonden voor de rol van verdachte als bemiddelaar. Met andere woorden: het is niet duidelijk waarom verdachte als tussenpersoon had moeten optreden. De rechtbank acht de verklaring van verdachte over de vliegreis en haar rol dan ook niet aannemelijk.
5.De bewezenverklaring.
,verdachte
,of haar mededader laten afdragen;
6.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde.
7.De strafbaarheid van de verdachte.
8.De strafoplegging.
9.De vorderingen van de benadeelde partijen / de schadevergoedingsmaatregel.
- [slachtoffer 1 ] (feit 1), met een vordering ten bedrage van € 17.000,00, bestaande uit materiële schade (€ 12.000,00) en immateriële schade (€ 5.000,00);
- [slachtoffer 2 ] (feit 2), met een vordering ten bedrage van € 9.250,00, bestaande uit materiële schade (€ 1.750,00) en immateriële schade (€ 7.500,00);
- [slachtoffer 3] (feit 3), met een vordering ten bedrage van € 1.000,00, bestaande uit immateriële schade.
10.De toepasselijke wetsartikelen.
11.De beslissing.
10 (tien) MAANDEN;
[slachtoffer 1 ]in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
[slachtoffer 2 ];
[slachtoffer 2 ]de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij
[slachtoffer 2 ]in zoverre doet vervallen;
hoofdelijkom tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 1.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 januari 2018 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
hoofdelijkin de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
hoofdelijkop de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 januari 2018 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van
[slachtoffer 3];