ECLI:NL:RBDHA:2018:9773
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen tweede spoor
De zaak betreft een geschil over de loonsanctie die het UWV aan de werkgever heeft opgelegd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen van een werknemer met COPD. De werknemer was sinds 2014 ziek gemeld en had meerdere aanvragen voor een WIA-uitkering gedaan, welke aanvankelijk werden afgewezen omdat hij niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt werd geacht.
De werkgever stelde dat er geen re-integratie-inspanningen nodig waren omdat de werknemer geen benutbare arbeidsmogelijkheden had. De rechtbank oordeelde echter dat uit de medische en arbeidsdeskundige rapporten onvoldoende blijkt dat de werknemer volledig arbeidsongeschikt was en dat de werkgever onvoldoende concrete en adequate re-integratieactiviteiten in het tweede spoor had ondernomen.
Het UWV had op grond van wettelijke bepalingen en beleidsregels de loonsanctie opgelegd omdat de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht. De rechtbank volgde dit standpunt en verwierp het beroep van de werkgever. Er was geen sprake van een situatie waarin re-integratie-inspanningen achterwege konden blijven, en het enkele feit dat later een IVA-uitkering werd toegekend, leidde niet tot een andere beoordeling.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Den Haag op 16 augustus 2018.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen.