ECLI:NL:RBDHA:2019:10639
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning Turkse zelfstandige wegens ontbreken wezenlijk Nederlands belang
Eiser, een Turkse zelfstandige ondernemer, diende in 2014 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning onder de beperking 'arbeid als zelfstandige'. Verweerder wees deze aanvraag af omdat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) adviseerde dat met de activiteiten van eiser geen wezenlijk Nederlands belang werd gediend. Dit advies was gebaseerd op de hoge afhankelijkheid van één opdrachtgever en het ontbreken van een onderbouwd ondernemings- en marketingplan.
Eiser voerde aan dat verweerder de vergewisplicht niet had nageleefd en dat het advies van de RVO onvoldoende was, onder meer omdat de langdurige relatie met de opdrachtgever niet adequaat was beoordeeld. De rechtbank oordeelde echter dat het advies zorgvuldig en inzichtelijk was en dat geen concrete aanwijzingen bestonden om aan de juistheid te twijfelen. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en de standstill-bepaling faalde.
Daarnaast stelde eiser dat verweerder niet tijdig op het bezwaar had beslist, waardoor een dwangsom verschuldigd was. De rechtbank stelde vast dat verweerder pas met het besluit van 7 januari 2019 op het bezwaar had beslist, waardoor de maximale dwangsom van €1.442,- verschuldigd was. Ten slotte wees de rechtbank het verzoek van eiser om immateriële schadevergoeding af, omdat de vergunningverlening op grond van het driejarenbeleid voldoende compensatie bood.
Uitkomst: Afwijzing verblijfsvergunning bevestigd, dwangsom van €1.442,- toegekend wegens niet tijdig beslissen.