ECLI:NL:RBDHA:2019:13379
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis wegens onvoldoende bewijs identiteit
Eiser, met Eritrese nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel nareis, aangevraagd door zijn vermeende echtgenote. De staatssecretaris wees dit verzoek af omdat eiser zijn identiteit en familierechtelijke relatie niet aannemelijk had gemaakt. Hoewel bewijsnood werd aangenomen wegens het ontbreken van officiële documenten, leverde eiser onvoldoende substantieel bewijs, waaronder een Soedanese vluchtelingenpas die onvoldoende bewijskracht had.
Eiser voerde aan dat DNA-onderzoek zijn identiteit bevestigde en dat de kerkelijke huwelijksakte de familierechtelijke relatie voldoende aantoonde. De rechtbank oordeelde echter dat de identiteit niet was vastgesteld, mede vanwege het gebruik van een andere naam op sociale media en de uitkomst van het DNA-onderzoek die geen broerrelatie bevestigde. Omdat de identiteit niet was vastgesteld, hoefde de rechtbank de familierechtelijke relatie niet te beoordelen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf nareis wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte identiteit.