Eiseres diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis bij haar echtgenoot, een asielvergunninghouder. De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van identiteit en gezinsband. Eiseres maakte bezwaar en stelde de staatssecretaris in gebreke vanwege het niet tijdig beslissen. Na een bestreden besluit waarin het bezwaar ongegrond werd verklaard, stelde eiseres beroep in.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris zich onvoldoende had gemotiveerd over het bewijs van identiteit van eiseres. De overgelegde Soedanese vluchtelingenkaart en UNHCR-documenten werden ten onrechte als onvoldoende substantieel bewijs beoordeeld. Ook was er geen gerechtvaardigde reden voor het onderscheid in het aanbieden van DNA-onderzoek aan de minderjarige zoon.
Verder was de ingebrekestelling niet onredelijk laat ingediend, ondanks dat deze ruim vijf maanden na het verstrijken van de beslistermijn was ontvangen. Gezien de grote achterstand bij de behandeling van nareiszaken en de communicatie tussen partijen, was het wachten op een besluit begrijpelijk.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, legde een dwangsom op van €100 per dag tot maximaal €15.000, en veroordeelde de staatssecretaris in de proceskosten van €1.024 en het griffierecht van €170.