ECLI:NL:RBDHA:2019:4820
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing nareisaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid identiteit Eritrese vreemdeling
Eiser, een Eritrese vreemdeling, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis bij zijn vermeende echtgenote, die in Nederland verblijft met een asielvergunning. De aanvraag werd door de staatssecretaris afgewezen omdat eiser zijn identiteit niet aannemelijk kon maken met officiële documenten en ook de overgelegde onofficiële documenten onvoldoende bewijs boden.
Eiser stelde in beroep dat hij zijn identiteit niet met officiële documenten kon aantonen omdat hij zijn identiteitskaart tijdens zijn vlucht uit Eritrea verloren had en dat hij in bewijsnood verkeerde. Hij verwees naar een Israëlisch document en een kerkelijke huwelijksakte als indicatief bewijs en stelde dat de afwijzing niet uitsluitend op het ontbreken van officiële documenten mocht worden gebaseerd.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende concreet had toegelicht wanneer en hoe hij zijn identiteitskaart was verloren en dat de overgelegde onofficiële documenten niet substantieel bewijs vormden. De staatssecretaris hoefde daarom geen aanvullend onderzoek te verrichten en hoefde de familierelatie niet te beoordelen. Het beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag bevestigd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de nareisaanvraag afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van de identiteit.