ECLI:NL:RBDHA:2019:6374
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning nareis pleegkind wegens ontbreken voogdijakte en feitelijke gezinsband
Eiseres, een Oegandese vrouw, verzocht om een verblijfsvergunning als pleegkind van een referent die een verblijfsvergunning asiel bezit. De aanvraag werd afgewezen omdat eiseres niet aannemelijk kon maken dat de referent het ouderlijk gezag over haar had overgenomen en er geen officiële voogdijakte of voldoende bewijs van een feitelijke gezinsband was.
De rechtbank overwoog dat verweerder terecht de pleegouderrelatie niet aannam vanwege het ontbreken van officiële documenten zoals een 'care order'. Ook de overgelegde verklaringen en medische stukken boden onvoldoende bewijs dat de biologische moeder niet meer in staat was voor eiseres te zorgen. Financiële ondersteuning door de referent en verklaringen van derden werden niet als voldoende bewijs gezien.
De rechtbank volgde het beleid van verweerder en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak dat bij pleegkinderen de feitelijke gezinsband aannemelijk moet worden gemaakt met voldoende bewijs. Het beroep werd ongegrond verklaard omdat de feitelijke gezinsband niet was aangetoond en verweerder terecht van horen afzag.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning nareis voor het pleegkind is ongegrond verklaard.