ECLI:NL:RBDHA:2020:8729
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs familierechtelijke relatie en gezinsband
Eiseres, een Eritrese minderjarige, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in Nederland om bij haar pleegzus te verblijven. De Staatssecretaris wees de aanvraag af wegens het ontbreken van voldoende bewijs van de familierechtelijke relatie en het feit dat de biologische moeder nog in leven is zonder toestemmingsverklaring voor het vertrek van eiseres.
Eiseres voerde aan dat de beoordeling van de Staatssecretaris te eenzijdig op documenten was gebaseerd en dat aanvullend onderzoek had moeten plaatsvinden, mede gelet op het arrest van het HvJ EU. De rechtbank oordeelde dat de Staatssecretaris geen nader onderzoek hoefde te doen omdat eiseres geen substantieel bewijs had overgelegd en dat de enkele verklaring onvoldoende was.
Daarnaast was niet aangetoond dat eiseres niet langer tot het gezin van haar biologische ouders behoort, een vereiste voor verblijf bij de pleegzus. De stellingen over mentale problemen van de biologische moeder en het verblijf van eiseres in een vluchtelingenkamp waren niet onderbouwd met stukken.
De rechtbank concludeerde dat de aanvraag terecht was afgewezen en dat het bezwaar en beroep ongegrond waren. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter Jongeneel op 7 september 2020.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.