ECLI:NL:RBDHA:2020:9306
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid homoseksualiteit en bekering
Eiser, van Iraanse nationaliteit, vroeg asiel aan op grond van zijn homoseksualiteit en bekering tot het christendom, met vrees voor vervolging bij terugkeer naar Iran. Na eerdere intrekkingen van afwijzingen, wees de staatssecretaris zijn aanvraag af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van zijn verklaringen over zijn seksuele gerichtheid en religieuze bekering.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht twijfelt aan de oprechtheid van eiser, omdat hij onvoldoende inzicht gaf in zijn afvalligheid en bekering, en zijn verklaringen over een langdurige homoseksuele relatie onwaarschijnlijk zijn gelet op de Iraanse context. Ook de tatoeage met christelijke betekenis acht de rechtbank onvoldoende bewijs voor een reëel risico bij terugkeer.
Eiser stelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd en dat hij zijn tatoeage niet hoefde te bedekken, maar de rechtbank vindt dat verweerder dit adequaat heeft beoordeeld. De verklaringen van derden, zoals het COC, zijn onvoldoende om het relaas aannemelijk te maken.
De rechtbank concludeert dat eiser geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro en dat de aanvraag terecht is afgewezen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende geloofwaardigheid van de homoseksualiteit en bekering.