ECLI:NL:RBDHA:2021:12538
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering van bijstand na erfenis met hypothecaire lening
Eiseres ontving bijstand en kreeg de kostendelersnorm omdat zij bij haar moeder woonde. Na het overlijden van haar moeder op 6 november 2017 verhuisde zij en werd een administratief onderzoek ingesteld. Eiseres bleek voor een derde deel gerechtigd tot een nalatenschap bestaande uit een niet-opeisbare hypothecaire vordering van €100.000.
Verweerder herzag het recht op bijstand over de periode van 6 november 2017 tot 12 februari 2020 en vorderde €26.282,91 terug. Eiseres stelde dat zij pas vanaf 9 juni 2020 aanspraak had op de lening, omdat deze tot 2033 niet opeisbaar was, en dat het recht op bijstand pas vanaf die datum had moeten worden ingetrokken.
De rechtbank oordeelde dat volgens vaste rechtspraak bij een erfdeel de aanspraak ontstaat op het moment van overlijden van de erflater, ongeacht de opeisbaarheid van de lening. Daarom was de terugvordering terecht. Wel vernietigde de rechtbank de herziening van het recht op bijstand, omdat artikel 58 Pw Pro een zelfstandige terugvorderingsgrond is en geen herziening vereist.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor zover het de herziening betreft, maar handhaafde de terugvordering. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan eiseres.
Uitkomst: De herziening van het recht op bijstand wordt vernietigd, maar de terugvordering van €26.282,91 blijft gehandhaafd.