ECLI:NL:RBDHA:2021:13328
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen intrekking verblijfsvergunning asiel vanwege veroordelingen en openbare orde
Eiser, een Iraakse nationaliteit, had aanvankelijk een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en later voor onbepaalde tijd. Verweerder trok deze vergunning met terugwerkende kracht in vanwege onherroepelijke veroordelingen voor meerdere gewelds- en andere misdrijven gepleegd tussen 2008 en 2016. Eiser betwistte de intrekking en stelde onder meer dat hij geen actueel gevaar voor de openbare orde vormt en dat verweerder het evenredigheidsbeginsel, het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel schond.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de nationaalrechtelijke glijdende schaal toepaste en niet hoefde te toetsen aan het Unierechtelijke openbare-ordebegrip, omdat de vergunning was verleend op grond van een zuiver nationaalrechtelijke grondslag. De rechtbank verwierp de stellingen van eiser over de verblijfsduur en de vermeende impliciete wijziging van de verblijfsgrondslag. Ook achtte de rechtbank de belangenafweging van verweerder zorgvuldig en proportioneel, waarbij rekening werd gehouden met de ernst van de gepleegde misdrijven, de duur van het verblijf in Nederland en persoonlijke omstandigheden van eiser.
Daarnaast was het opleggen van een inreisverbod voor twee jaar passend gezien het verlies van de verblijfsvergunning. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat verweerder niet onrechtmatig heeft gehandeld door de vergunning in te trekken en het inreisverbod op te leggen.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel en het opleggen van een inreisverbod wordt ongegrond verklaard.