ECLI:NL:RVS:2018:2368
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H. Troostwijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wegens strafrechtelijke veroordeling zonder toepassing openbare-ordebegrip Kwalificatierichtlijn
De vreemdeling, van Rwandese nationaliteit, verkreeg aanvankelijk een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als nareiziger en later een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. De staatssecretaris trok deze vergunning in vanwege een onherroepelijke veroordeling tot zes jaar gevangenisstraf en vaardigde een inreisverbod uit.
De rechtbank vernietigde dit besluit omdat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd dat de vreemdeling een actuele en ernstige bedreiging voor de samenleving vormde, zoals vereist onder het Unierechtelijke openbare-ordebegrip van de Kwalificatierichtlijn. De staatssecretaris stelde hoger beroep in, waarbij hij betoogde dat de Kwalificatierichtlijn niet van toepassing was omdat de vreemdeling geen vluchtelingenstatus of subsidiaire beschermingsstatus had verkregen.
De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling als nareiziger een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 lid 1 onder Pro f van de Vreemdelingenwet 2000 had ontvangen, welke niet samenvalt met de vluchtelingen- of subsidiaire beschermingsstatus. Daardoor is de intrekking van de verblijfsvergunning niet gekoppeld aan de intrekking van die beschermingsstatussen en is het openbare-ordebegrip uit de Kwalificatierichtlijn niet van toepassing.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank maar verbeterde de gronden, en verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond en het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens verduidelijkte de Raad dat de beoordeling van een reëel risico op een schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer losstaat van de rechtmatigheid van de intrekking van de verblijfsvergunning.
De uitspraak benadrukt dat bij een nieuwe intrekking vanwege openbare orde rekening moet worden gehouden met het feit dat de vreemdeling oorspronkelijk een nareisvergunning had. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wordt bevestigd zonder toepassing van het Unierechtelijke openbare-ordebegrip.