Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
K. en H.F. [10] uiteengezet hoe er met dit criterium moet worden omgegaan bij vreemdelingen op wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. In dit arrest is geoordeeld dat de enkele aanwezigheid van een persoon op wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is niet automatisch voldoende is om een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging aan te nemen (punt 51). Er dient rekening te worden gehouden met de aspecten die bij de 1(F)-tegenwerping zijn betrokken, in het bijzonder de aard en de ernst van de verweten gedragingen, de mate van persoonlijke betrokkenheid en het eventuele bestaan van strafuitsluitingsgronden (punt 54). Dit geldt eens temeer indien een strafrechtelijke veroordeling ontbreekt (punt 55). Stellig relevant is het tijdsverloop sinds de verweten gedragingen (punt 58). Beoordeeld dient te worden of van het persoonlijke gedrag nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving uitgaat, waarbij rekening moet worden gehouden met de specifieke historische en maatschappelijke context waarin de verweten gedragingen zich hebben afgespeeld en met het eventuele recidiverisico (punt 60). Het bestaan van een bedreiging zoals bedoeld in het Unierechtelijke openbare orde-criterium moet worden vastgesteld op basis van een beoordeling door de bevoegde instanties van het gastland van het persoonlijke gedrag van de betrokken persoon, waarbij rekening moet worden gehouden met alle voornoemde aspecten, met name om uit te maken of uit het gedrag van de betrokkene blijkt dat hij nog steeds een houding aanneemt die de in de artikelen 2 en 3 van het VEU [11] bedoelde fundamentele waarden aantast en dat daardoor de gemoedsrust en de fysieke veiligheid van de bevolking zouden kunnen worden verstoord (punt 66). Daarnaast heeft het HvJ overwogen dat een maatregel waarbij het recht op vrij verkeer wordt beperkt slechts gerechtvaardigd kan zijn indien het evenredigheidsbeginsel is geëerbiedigd (punt 61).
K. en H.F.voor het Nederlands bestuursrechtelijk stelsel uiteengezet. De Afdeling heeft overwogen dat niet langer kan worden gehandhaafd dat de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag automatisch tot het oordeel leidt dat de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt. De vreemdeling die verzoekt om opheffing van zijn zwaar inreisverbod dient met hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat hij niet (langer) onder dit criterium valt. Vervolgens ligt het op de weg van verweerder om aan de hand van die in de bestuurlijke fase verzamelde gegevens een individuele beoordeling te maken waarbij de in punt 66 van het arrest
K. en H.F.genoemde omstandigheden kenbaar worden betrokken. Verweerder moet zodanig motiveren waarom hij van mening is dat de vreemdeling nog steeds een actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde vormt dat de bestuursrechter in staat wordt gesteld om een grondige toetsing te verrichten.
K. en H.F.genoemde omstandigheden.
K. en H.F.naar de vraag of de aard en de ernst van deze aan eiser verweten gedragingen en de mate waarin eiser daarbij persoonlijk betrokken is geweest zodanig zijn dat nog steeds moet worden gesproken van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde. Met de overweging van verweerder dat het ontbreken van strafrechtelijke vervolging van eiser niets zegt over de gedragingen die hebben plaatsgevonden, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderkend dat het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling eens temeer noodzakelijk maakt dat een dergelijk onderzoek wordt verricht.
K. en H.F.voortvloeit. Uit punt 66 van dit arrest blijkt immers dat het gaat om de vraag of de vreemdeling een houding aanneemt die zich niet verdraagt met fundamentele waarden, welke houding moet blijken uit zijn gedrag. Afgezien daarvan, heeft verweerder door enkel te verwijzen naar een gehoorrapport uit 2005 geen deugdelijke motivering gegeven van de actualiteit van eisers bedreiging voor de openbare orde op dit punt. Verweerder heeft evenmin kunnen aanwijzen uit welke actuele feiten of omstandigheden wel zou blijken dat eiser nog steeds een houding aanneemt die zich niet verdraagt met de in artikel 2 en Pro 3 van het VEU bedoelde fundamentele waarden. Zoals hiervoor al is overwogen, had het op de weg van verweerder gelegen om een dergelijk onderzoek te verrichten aan de hand van wat eiser in zijn verzoek heeft aangevoerd. In dat licht had eiser mogelijk eerder naar voren kunnen brengen wat hij nu in de gronden van beroep en opnieuw ter zitting heeft meegedeeld, namelijk dat hij spijt heeft van iedere mogelijke handeling of elk mogelijk nalaten dat heeft kunnen leiden tot een mensenrechtenschending.
K. en H.F.,zou kunnen worden verstoord.
K. en H.F.-arrest moet in het kader van dit beginsel de dreiging die van de betrokkene uitgaat worden afgewogen tegen de rechten van Unieburgers en hun familieleden (punt 62). Daarbij moet rekening worden gehouden met de fundamentele belangen waarvan het HvJ de eerbiediging waarborgt, in het bijzonder het recht op privé- en gezinsleven (punt 63). Ook dient te worden nagegaan of er andere maatregelen zijn die het recht op vrij verkeer minder aantasten en even doeltreffend zijn om de bescherming van de ingeroepen fundamentele belangen van de samenleving te waarborgen (punt 64).