Eisers, van Canadese nationaliteit en afkomstig uit Irak, vroegen om een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij hun zoon in Nederland. Eerder waren aanvragen afgewezen wegens het ontbreken van medische noodzaak en het niet aantonen dat benodigde zorg in Canada niet beschikbaar was. Eisers deden een herhaalde aanvraag zonder nieuwe feiten of omstandigheden (nova) aan te tonen.
De rechtbank oordeelt dat de verslechtering van de gezondheidssituatie en de emigratie van een dochter naar Zweden geen nova vormen. Verweerder heeft terecht geoordeeld dat de zorg in Canada beschikbaar is, en dat de aanvraag daarom afgewezen kan worden. De rechtbank benadrukt dat de bewijslast bij eisers ligt en dat verweerder niet verplicht was om een medisch adviesbureau te raadplegen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. De schrijnende situatie van het gezin en hun vluchtelingenachtergrond spelen geen rol in deze procedure. De uitspraak is mondeling gedaan op 12 februari 2021 en kan in hoger beroep worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.