Eiser diende op 1 september 2019 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder besloot pas op 12 augustus 2020, nadat eiser op 10 maart 2020 verweerder in gebreke had gesteld en op 14 mei 2020 beroep had ingesteld wegens het uitblijven van een tijdige beslissing.
De rechtbank oordeelde dat de coronacrisis een overmachtssituatie vormde vanaf 16 maart 2020, waardoor vanaf die datum geen dwangsom verschuldigd was. De overmachtsperiode werd vastgesteld tot 16 mei 2020, aansluitend op eerdere jurisprudentie. Hierdoor liep de dwangsomtermijn van 42 dagen pas vanaf 25 mei 2020 tot 6 juli 2020.
Verweerder had de dwangsom vastgesteld op €637,-, maar eiser betwistte dit en vorderde €1.442,-. De rechtbank vernietigde het besluit voor zover het de hoogte van de dwangsom betreft en stelde de dwangsom zelf vast op het maximale bedrag van €1.442,-. Tevens werden de proceskosten van eiser toegewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van belang, maar oordeelde wel over de hoogte van de dwangsom. De uitspraak verving het bestreden besluit voor zover het vernietigd werd.