ECLI:NL:RBDHA:2021:17040
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit verblijf gezinslid op grond van artikel 8 EVRM wegens onvoldoende motivering en schending Awb
Eiseres, een Zimbabwaanse vrouw, verzocht om wijziging van haar verblijfsvergunning naar verblijf als familie- of gezinslid op grond van artikel 8 EVRM Pro. De Staatssecretaris wees dit af en verklaarde het bezwaar ongegrond. Eiseres stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening.
De rechtbank constateerde dat verweerder een procesbelang had en dat een verblijf op grond van artikel 8 EVRM Pro een sterkere rechtspositie biedt dan een verblijfsvergunning op studiegrondslag. Verweerder had een vragenlijst gebruikt die niet aan het procesdossier was toegevoegd, wat een schending van artikel 8:42 Awb Pro opleverde. Dit leidde tot een motiveringsgebrek.
Verder oordeelde de rechtbank dat het zogenoemde jongvolwassene beleid niet van toepassing was omdat de gezinsband in bepaalde periodes vrijwillig was verbroken. Wel was er sprake van hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar minderjarige broertje, maar verweerder had onvoldoende gemotiveerd waarom dit niet tot verblijf zou leiden en had het belang van het kind onvoldoende meegewogen.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, wees het beroep toe, en beval verweerder binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de Staatssecretaris wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met volledige motivering en belangenafweging.