Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken/Rechtbank-Amsterdam/Nieuws/Paginas/IRK-Polen.aspx.
Rechtbank: waarschijnlijk doelt eiser hier op de tussenuitspraak van rechtbank Amsterdam van 31 juli 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:3776].
In het arrest van 25 juli 2018, LM, ECLI:EU:C:2018:586, heeft het Hof van Justitie antwoord gegeven op prejudiciële vragen van de High Court of Ireland. Deze vragen zien op grensoverschrijdende gerechtelijke procedures van overleveringen en hebben derhalve en strafrechtelijke achtergrond. Het Hof heeft overwogen dat zolang de Raad nog geen beslissing heeft genomen in een artikel 7-procedure, de uitvoerende rechterlijke autoriteit alleen in uitzonderlijke omstandigheden ervan kan afzien om gevolg te geven aan en Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd door een lidstaat die voorwerp is van een met redenen omkleed voorstel in de zin van artikel 7, eerste lid, van het VEU (punt 73).
onafhankelijkheiden
onpartijdigheidliggen dicht bij elkaar en worden door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) doorgaans gezamenlijk getoetst (zie punt 192 van het arrest van het EHRM in de zaak Kleyn e.a. tegen Nederland van 6 mei 2003, ECLI:CE:ECHR:2003:0506JUD003934398). Het EHRM (zie punt 32 van het arrest van het EHRM in de zaak Langborger tegen Zweden van 22 juni 1989, ECLI:CE: ECHR:1989:0622JUD001117984, en punt 190 van het arrest Kleyn e.a. tegen Nederland van 6 mei 2003) toetst de onafhankelijkheid van de rechterlijke instantie onder meer aan:
objectieve partijdigheidkan onder meer gedacht worden aan eerdere bemoeienis van de rechter met de zaak, zoals als rechter in een eerdere instantie, of een andere (hiërarchische) band tussen de betrokken rechter en één van de actoren in de procedure (zie punt 36 van het arrest van het EHRM van 15 juli 2005 in de zaak Meznaric tegen Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2005:0715JUD007161501, en punt 47 van het arrest van het EHRM van 21 december 2000 in de zaak Wettstein tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2000:1221JUD003395896). In de zaak van eiser is van dergelijke objectieve partijdigheid niet gebleken.
subjectief onpartijdigte zijn, tenzij het tegendeel is bewezen (zie punt 58 van het arrest van het EHRM van 23 juni 1981 in de zaak Le Compte, Van Leuven en De Meyere tegen België, ECLI:CE:ECHR:1981:0623JUD000687875 en punt 94 van het Micallef-arrest).