Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2021 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
- Een brief van 10 september 2016 van de [bedrijf 1] [plaats] aan eiser over werkzaamheden die hij in september 2016 ten behoeve van de productie “Koning voor een dag” heeft verricht. In de brief wordt een vergoeding van € 500 genoemd.
- Een door eiser en [bureau] op 2 februari 2016 gesloten overeenkomst ter zake van de vervaardiging van een reclamespot voor Sportlife.
- Een door eiser en Stichting [stichting 2] op 19 maart 2015 gesloten arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
- Een door eiser en [B.V. 1] B.V. op 15 januari 2017 gesloten opdrachtovereenkomst.
- Een door eiser en [B.V. 2] B.V. op 28 mei 2016 gesloten opdrachtovereenkomst.
- Een jaaropgaaf 2016 van het UWV.
- Een jaaropgaaf 2016 van Stichting [stichting 3] met vermelding “L02”.
- Een jaaropgaaf 2016 van Stichting [stichting 1] .
“Artikel 1. Indiensttreding
Artikel 9. Pensioenfonds
Artikel 1
Winst uit onderneming/loon uit dienstbetrekking
mits de zakelijkheid van die kosten aannemelijk kan worden gemaakt.
€ 1.305,59 (€ 462,52 + € 840,07).”
11 februari 2015 is doorgegaan. Daarnaast beroept eiser zich op de meerderheidsregel. Eiser stelt dat verweerder in een meerderheid van vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege heeft gelaten door hun arbeidsinkomsten als winst uit onderneming in aanmerking te nemen.
11 september 2019 uitspraak op bezwaar gedaan. Vervolgens is door de rechtbank op 15 juli 2021 uitspraak gedaan. Vanaf het indienen van het bezwaarschrift tot de uitspraakdatum is een periode van 2 jaar en ruim 9 maanden verstreken. Echter, in het kader van maatregelen tegen het coronavirus hebben in 2020 gedurende een aantal maanden bij de rechtbank geen zittingen kunnen plaatsvinden. Daarmee doet zich een bijzondere omstandigheid voor die verlenging van de redelijke termijn met vier maanden rechtvaardigt. Aan eiser komt daarom een schadevergoeding toe van € 500 (€ 500 per overschrijding van (een gedeelte van) een half jaar). De termijnoverschrijding komt voor rekening van verweerder.