Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Dominicaanse nationaliteit, is in 2010 ongewenst verklaard en verzocht in 2019 om opheffing van deze verklaring vanwege zijn gezinsleven in Spanje. Verweerder wees dit verzoek af omdat eiser niet kon aantonen dat hij tien onafgebroken jaren buiten Nederland verbleef, zoals vereist volgens artikel 6.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000, en omdat het gezinsleven onvoldoende was onderbouwd.
Eiser stelde dat verweerder misbruik van bevoegdheid maakte door de ongewenstverklaring te handhaven in plaats van een inreisverbod op te leggen, en beriep zich op het vertrouwensbeginsel en artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van een concrete toezegging of gerechtvaardigd vertrouwen en dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro niet slaagde wegens onvoldoende bewijs van gezinsleven.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor opheffing van de ongewenstverklaring, onder meer door het ontbreken van paspoortpagina’s en onduidelijkheid over verblijfplaatsen. Ook was er geen aanleiding voor tijdelijke opheffing. Het beroep werd ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen handhaving van de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van verblijf en gezinsleven.