ECLI:NL:RVS:2018:622
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat ongewenstverklaring als inreisverbod vijf jaar geldt en afwijzing verzoek opheffing
De vreemdeling was in 2006 ongewenst verklaard wegens een strafrechtelijke veroordeling op grond van de Opiumwet, wat een inreisverbod voor onbepaalde tijd met zich meebrengt. De vreemdeling verzocht in 2015 om opheffing van dit verbod, stellende dat hij sinds vertrek meer dan vijf jaar buiten de EU verbleef. De staatssecretaris wees dit af omdat niet was aangetoond dat de vreemdeling daadwerkelijk vijf jaar buiten de EU verbleef en niet strafrechtelijk vervolgd werd.
De rechtbank oordeelde dat het inreisverbod van rechtswege na vijf jaar vervalt en dat toetsing aan de voorwaarden van het Vreemdelingenbesluit 2000 niet relevant was. De staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep. De Raad van State overwoog dat het inreisverbod niet automatisch vervalt na vijf jaar, tenzij de vreemdeling gedurende die volledige periode buiten de EU verbleef. Indien de vreemdeling binnen die periode terugkeert, verstrijkt de duur niet volledig.
De Raad van State concludeerde dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij vijf jaar onafgebroken buiten de EU verbleef, mede omdat de overgelegde documenten niet vertaald waren. Daarom was het besluit van de staatssecretaris om het verzoek tot opheffing af te wijzen terecht. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit tot afwijzing van opheffing van het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.