ECLI:NL:RBDHA:2022:10745
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht aan Denemarken wegens ontbreken reëel risico indirect refoulement
Verzoekster, samen met haar minderjarige kinderen, allen van Syrische nationaliteit, verzocht de rechtbank om een voorlopige voorziening die de overdracht aan Denemarken zou voorkomen. De overdracht was gepland op 19 oktober 2022. De rechtbank toetste of het bezwaar van verzoekster een redelijke kans van slagen had en of er sprake was van een reëel risico op indirect refoulement, waarbij zij verwees naar het verschil in beschermingsbeleid tussen Nederland en Denemarken.
De rechtbank overwoog dat de verlenging van de overdrachtstermijn rechtsgeldig was en dat verzoekster onvoldoende concrete aanwijzingen had aangevoerd dat het restrictievere Deense asielbeleid ook van toepassing is op haar en haar kinderen, afkomstig uit Kamishli. Het onderscheid in beleid betreft met name Damascus en de provincie RifDamascus, gebieden die niet relevant zijn voor verzoekster.
Verder concludeerde de rechtbank dat er geen aanwijzingen zijn dat de Deense autoriteiten verzoekster en haar kinderen zullen terugsturen naar Syrië, en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Denemarken blijft gelden. Daarom heeft het bezwaar geen redelijke kans van slagen en wordt de voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening tegen de overdracht aan Denemarken wordt afgewezen.