ECLI:NL:RBDHA:2022:12285

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 augustus 2022
Publicatiedatum
18 november 2022
Zaaknummer
NL22.13869
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwVerordening (EU) nr. 604/2013Art. 17 DublinverordeningEuropees Verdrag voor de Rechten van de MensVluchtelingenverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-inhoudelijke behandeling asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser heeft een asielaanvraag ingediend die door verweerder niet in behandeling is genomen omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Frankrijk heeft het verzoek tot terugname geaccepteerd.

Eiser stelde dat verweerder de bewijslast had om twijfel over indirect refoulement weg te nemen en overlegde een Franse rechterlijke uitspraak waarin het Rif-Damascus gebied als veilig werd beschouwd. De rechtbank stelt dat verweerder mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat Frankrijk gebonden is aan internationale mensenrechtenverdragen.

Er is een verschil in beschermingsbeleid tussen Nederland en Frankrijk, waarbij Nederland een ruimer beschermingskader hanteert. Dit verschil leidt echter niet tot een tekortkoming in de Franse asielprocedure, omdat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen heeft overgelegd dat de hoogste Franse rechter het Franse beleid afkeurt.

Ook de door eiser aangevoerde humanitaire omstandigheden, zoals het hebben van een broer in Nederland, zijn niet uitzonderlijk genoeg om een uitzondering op de overdracht te rechtvaardigen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en veroordeelt verweerder in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.13869
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.M. Walls), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.M.E. Disselkamp).

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.13870, op 9 augustus 2022 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen.1 De reden daarvoor is dat volgens verweerder op grond van de Dublinverordening2 Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. In dit geval heeft verweerder een verzoek naar Frankrijk verstuurd om eiser terug te nemen. Frankrijk heeft dit verzoek geaccepteerd.
Indirect refoulement
2. Eiser voert aan dat het aan verweerder is om alle twijfel over een mogelijk reëel risico op indirect refoulement bij overdracht weg te nemen als eiser aan zijn bewijslast heeft voldaan. Eiser heeft voldaan aan zijn bewijslast door bij het aanmeldgehoor bewijsstukken
1. Artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingwet 2000 (Vw).
2 Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013.
over te leggen, namelijk de uitspraak van de Cour nationale du droit d’asile van 26 oktober 2021. In deze uitspraak heeft de Franse rechter het Rif-Damascus gebied in Syrië voor eiser veilig geacht. Deze uitspraak onderbouwt dan ook eisers stellingen in het aanmeldgehoor. Er is dus sprake van een relevant verschil in asielbeleid. In Frankrijk wordt op strikt
individuele wijze geoordeeld ten aanzien van personen afkomstig uit het Rif-Damascus gebied. Het is daarom nu aan verweerder om aannemelijk te maken dat eiser veilig terug kan naar Frankrijk.
3. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Frankrijk mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.3 Frankrijk is ook, net als Nederland, onder meer partij bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, het Vluchtelingenverdrag en de richtlijnen van de Europese Unie op het gebied van asielrecht.
4. De rechtbank is van oordeel dat Frankrijk met het claimakkoord heeft gegarandeerd dat de (opvolgende) asielaanvraag van eiser zal worden behandeld in overeenstemming met deze internationale verplichtingen. Verweerder mag er daarom vanuit gaan dat de Franse autoriteiten de (opvolgende) asielaanvraag van eiser en de eventuele uitzetting naar het land van herkomst zorgvuldig zullen behandelen. Dat houdt ook in dat Franrijk ervoor moet zorgen dat een eventuele uitzetting niet in strijd zal zijn met het verbod van refoulement.
5. De rechtbank oordeelt verder dat er sprake is van een verschil in beschermingsbeleid tussen Frankrijk en Nederland. In het beschermingsbeleid in Frankrijk
wordt de veiligheidssituatie in Rif-Damascus als ernstig (‘violence aveugle’) getypeerd door de Franse rechter, maar niet zodanig dat voor iedere burger een reëel risico bestaat op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. In het Nederlandse beschermingsbeleid daarentegen is het algemene uitgangspunt dat vreemdelingen die geen actief aanhanger zijn van het regime bij terugkeer naar Syrië vanuit het buitenland een reëel risico lopen op ernstige schade.4 Met dit verschil in beschermingsbeleid is echter nog geen tekortkoming in de Franse asielprocedure aannemelijk gemaakt en heeft eiser dus niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een risico op indirect refoulement. Daarvoor is noodzakelijk dat eiser ook concrete aanknopingspunten overlegt dat de hoogste Franse rechter het in Frankrijk geldende beschermingsbeleid inhoudelijk niet afkeurt.5 De uitspraak van de Cour nationale du droit d’asile van 26 oktober 2021 is daarvoor onvoldoende. Eiser is namelijk niet in hoger beroep gegaan tegen deze uitspraak en heeft dus niet de nationale rechtsmiddelen uitgeput. Eiser heeft daarmee de kans laten lopen om aannemelijk te maken dat de hoogste rechter het afwijzende asielbesluit inhoudelijk heeft bekrachtigd en van oordeel is dat hij in beginsel naar Syrië kan terugkeren. Ook heeft eiser geen andere informatie overgelegd waaruit volgt dat de hoogste Franse rechter zich heeft uitgelaten over het Franse beschermingsbeleid voor Syriërs en dat niet afkeurt. De rechtbank is ambtshalve ook niet bekend met een dergelijke uitspraak. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
6. Eiser stelt verder dat de humanitaire aspecten die door hem naar voren zijn gebracht onvoldoende zijn betrokken bij de besluitvorming.
4 Zie C7/33.4.4. van de Vreemdelingencirculaire 2000.
5 Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1862 en ECLI:NL:RVS:2022:1864.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de omstandigheden van eiser geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening door de asielaanvraag in behandeling te nemen. De omstandigheden die eiser heeft aangevoerd, namelijk dat hij een broer heeft in Nederland, zijn niet zo bijzonder of individueel dat verweerder een uitzondering had moeten maken. De rechtbank volgt verweerder dan ook dat niet gebleken is van omstandigheden die zodanig zijn dat overdracht in dit geval van onevenredige hardheid zou getuigen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
11 augustus 2022

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.