Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 5], eiser 1, V-nummer: [nummer 4]
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
zodrade besluitvorming in positieve zin is afgerond moet worden uitgenodigd voor het afhalen van de mvv (cursivering door de rechtbank). De aanvrager krijgt vervolgens drie maanden de tijd om van deze uitnodiging gebruik te maken. Deze termijn kan met drie maanden worden verlengd als er in het land waar de aanvrager zich bevindt geen Nederlandse vertegenwoordiging aanwezig is of als deze gesloten is. Gelet op de formulering van het artikel, en de uitleg die de Memorie van Toelichting daaraan geeft, bestaat er geen ruimte om deze termijn te gebruiken voor het opschorten van de uitnodiging voor het afhalen van de mvv. Verder geldt dat in dit geval sprake is van een mvv in het kader van gezinshereniging en dat het recht op gezinshereniging niet alleen in nationale wetgeving, maar ook in een Europese richtlijn is geregeld. Het is een vast juridisch uitgangspunt dat interpretatie van nationaal recht niet mag leiden tot schending van het Europese recht (dit wordt ook wel richtlijnconforme interpretatie genoemd). In dat kader overweegt de rechtbank als volgt.
N.S.-arrest. [5]
zodrahet verzoek om gezinshereniging is aanvaard en dat zij hen
alle medewerkingmoeten verlenen bij het verkrijgen van de benodigde visa (cursivering door de rechtbank). Door het daadwerkelijk verkrijgen van toegang afhankelijk te stellen van de aanwezigheid van geschikte huisvesting, dan wel het verstrijken van een bepaalde wachttijd, wordt geen toegang verleend zodra het verzoek om gezinshereniging is aanvaard en wordt bovendien niet alle medewerking verleend.
Chakroun-arrest. [6] Dit geldt eens temeer als het gaat om de leden van het kerngezin die genoemd worden in artikel 4, eerste lid, van de richtlijn, waaronder de echtgenoot en minderjarige kinderen. Dit volgt uit het arrest
Parlement tegen Raad. [7] In dit arrest wordt verder benadrukt dat met spoed moet worden gehandeld als het gaat om de hereniging van een vluchteling en diens minderjarige kinderen. [8] Het bestreden besluit is daarmee in strijd. Immers, daarmee wordt het hen enige tijd onmogelijk gemaakt om zich daadwerkelijk bij referent te voegen en zich met hem te herenigen, ondanks de erkenning van hun recht op gezinshereniging.
X.U. en Q.P.. [10]
M.T. tegen Zweden. [11] Ook zijn volgens verweerder de belangen van het kind meegewogen bij het opstellen van de nareismaatregel, aangezien daarin een uitzondering is opgenomen voor kinderen die alleen in het buitenland zijn achtergebleven en kinderen die zich in een schrijnende situatie bevinden. Deze uitzondering doet zich echter in het geval van eisers niet voor, omdat volgens verweerder niet is gebleken dat de gezinsleden in Kirgizië gevaar lopen of op korte termijn worden uitgezet.
Parlement tegen Raad, de punten 37 en 38, en naar het arrest
O., S. en L., punt 80. [12]
M.T. tegen Zwedenblijkt dat in dit geval sprake is van een redelijk evenwicht. Daartoe is redengevend dat het niet gaat om vergelijkbare gevallen. De vreemdeling in de zaak
M.T. tegen Zwedenwas namelijk geen vluchteling, zoals referent, maar een houder van een subsidiaire beschermingsstatus. Een dergelijke status wordt toegekend aan iemand die weliswaar gevaar loopt in zijn land van herkomst, maar niet vanwege vervolging zoals bedoeld in het vluchtelingenverdrag. Bovendien is van belang dat volgens de Zweedse wetgeving houders van een vluchtelingenstatus andere rechten hebben dan houders van een subsidiaire beschermingsstatus. Voor die laatste groep is in Zweden hoofdstuk V van de Gezinsherenigingsrichtlijn, dat gunstiger voorwaarden bevat voor gezinsleden van vluchtelingen, waaronder artikel 12, niet van toepassing. In Nederland heeft de wetgever echter uitdrukkelijk gekozen voor een éénstatusstelsel, waarbij vluchtelingen en subsidiair beschermden dezelfde rechten hebben. [13] Dit heeft onder meer tot gevolg dat, anders dan in Zweden, in Nederland voor subsidiair beschermden geen andere toepassing van de Gezinsherenigingsrichtlijn kan gelden dan voor vluchtelingen. [14] Het is het in Zweden gemaakte onderscheid in nareisbeleid tussen vluchtelingen en subsidiair beschermden dat in het arrest
M.T. tegen Zwedengerechtvaardigd is geacht, terwijl een dergelijk onderscheid in Nederland niet bestaat. Een ander verschil met de situatie in Nederland is dat dit Zweedse beleid in wetgeving is neergelegd.
very weighty reasons). [16]