Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2022 in de zaak tussen
[eiser 2],
[eiser 3]en
[eiser 4], allen uit [woonplaats 2], eisers 1
[eiser 5], uit [woonplaats 2], eiser 2
het college van dijkgraaf en hoogheemraden van Rijnland, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
23 april 2019 hebben eisers 1 aan verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen de strekdam, die volgens hen illegaal is vergroot door eiser 2. Na het verzoek in het primaire besluit te hebben afgewezen, heeft verweerder in het bestreden besluit het primaire besluit herroepen en toegezegd handhavend te zullen optreden. Volgens verweerder is de strekdam sinds 2007 vergroot, wat heeft geleid tot een waterdemping van de hoofdwatergang en een overige watergang in strijd met de regels van de Keur Rijnland 2015 (de keur). In de brief van 17 februari 2020 heeft verweerder deze overtredingen medegedeeld aan eiser 2, hem twee mogelijkheden gegeven om de overtredingen ongedaan te maken, en hem verzocht om vóór 1 maart 2020 daarin een keus te maken en deze mede te delen aan verweerder.
9,5 m² in een hoofdwatergang en een demping van 40,3 m² in een overige watergang. [6] Eiser 2 betwist de uitkomst van dit onderzoek niet. Verweerder heeft tijdens de zitting toegelicht dat voor de demping van een hoofdwatergang volgens de keur een vergunning nodig is. [7] Onderdeel van zo’n vergunning is de compensatieplicht die volgt uit de Uitvoeringsregels op grond van de keur van het hoogheemraadschap van Rijnland voor handelingen in het watersysteem (uitvoeringsregels): het verlies aan bergend vermogen moet binnen
5 kilometer van de strekdam gecompenseerd worden door een oppervlak water aan te leggen dat minimaal even groot is als het oppervlak van de demping. [8] Eenzelfde compensatieplicht geldt ook voor het dempen van een overige watergang, maar dan op basis van een algemene zorgplicht (daarvoor is dus geen vergunning nodig). [9] De rechtbank stelt vast dat eiser 2 geen vergunning heeft en niet heeft voldaan aan de compensatieplicht.
17 februari 2020. Volgens de rechtbank is die brief geen besluit. Hiermee bedoelt de rechtbank het volgende. De brief van 17 februari 2020 is niet op rechtsgevolg gericht, maar beperkt zich slechts tot het feitelijk mededelen van de geconstateerde overtredingen en het noemen van opties om de overtredingen ongedaan te maken. De brief is er niet op gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel de juridische status van een persoon of een zaak vast te stellen. [10] Anders gezegd: op basis van die brief hoeft eiser 2 niets te doen of te laten of te dulden, krijgt hij niets en hoeft hij niets te geven; zijn rechtspositie is niet veranderd. Dat betekent dat er in dit geval geen sprake is van een besluit in de zin van de Awb. [11] Eiser 2 kon daartegen dan ook geen rechtsmiddelen aanwenden (zoals bezwaar en beroep). De rechtbank zal daarom het beroep van eiser 2 gericht tegen de brief van 17 februari 2020 niet-ontvankelijk verklaren.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 31 januari 2020;
- draagt verweerder op om binnen een termijn van twaalf weken na de datum van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eisers 1 te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518,-;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de brief van 17 februari 2020 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit van 31 januari 2020 ongegrond.