Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser], eiser, verzoeker
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Eiser en referente hebben bij de aanvraag kopieën overgelegd van:
- de huwelijksakte van 24 november 2017;
- een gelegaliseerd huurcontract voor een woning in [plaats], Cyprus met ingangsdatum 11 maart 2018 en een verklaring van de verhuurder, [naam 2];
- bewijzen van de ziektekostenverzekeringen van eiser en referente in Cyprus;
- de ‘residence cards of Union Citizen and EU citizen Family Member’ van eiser en referente, afgegeven door de Cypriotische autoriteiten van eiser op 16 oktober 2018 respectievelijk op 14 mei 2018;
- een verklaring van de werkgever van eiser van 25 november 2019;
- getuigenverklaringen van vrienden en kennissen; en
- vluchtgegevens;
- foto’s van eiser en referente samen;
- de gezamenlijke bankrekening van eiser en referente bij de Bank of Cyprus, inclusief bankafschriften.
5.1 Naar aanleiding van dit arrest heeft de Afdeling in de desbetreffende zaken uitspraak gedaan op 20 augustus 2014. [9] De Afdeling overwoog daarin dat zij uit overwegingen 52 en 59 van het arrest O. en B. afleidt dat een verblijf van een burger van de Unie en zijn derdelander gezinslid van minder dan drie maanden in een gastlidstaat in geen geval voldoende is voor dit gezinslid om, bij terugkeer naar de lidstaat waarvan de burger van de Unie de nationaliteit bezit, aanspraak te kunnen maken op een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 21, eerste lid, van het VWEU. Het beleid van verweerder met betrekking tot het ontstaan van afgeleid verblijfsrecht op grond van de Verblijfsrichtlijn is naar aanleiding van deze uitspraken van de Afdeling uitgewerkt in paragraaf B10/2.2 van de Vc [10] .
aaneengeslotenten minste drie maanden heeft geduurd. Ook indien sprake was van een niet-aaneengesloten verblijf van, tezamen, (meer dan) drie maanden – zolang is voldaan aan de voorwaarden van ‘daadwerkelijk verblijf’, en de betrokkenen de bedoeling hebben gehad om een gezinsleven op te bouwen of te bestendigen – kan naar het oordeel van de rechtbank een afgeleid verblijfsrecht ontstaan. Anders dan de Afdeling heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat overweging 59 niet vereist dat de burger van de Unie en diens gezinslid een aaneengesloten periode van minimaal drie maanden in een gastlidstaat hebben verbleven.
.De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.