ECLI:NL:RBDHA:2022:6397

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 juni 2022
Publicatiedatum
4 juli 2022
Zaaknummer
NL22.5209
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55c AwbArt. 8:57 AwbArtikel 1 Tijdelijke wet opschorting dwangsommen INDArtikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens inwilliging asielaanvraag en ontbreken procesbelang bij vaststelling dwangsom

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. Inmiddels heeft verweerder het besluit alsnog genomen en de asielaanvraag ingewilligd, waardoor het beroep tegen het niet tijdig beslissen zijn doel heeft verloren en het procesbelang ontbreekt.

Eiser verzocht daarnaast om vaststelling van de verbeurde bestuurlijke dwangsommen. Partijen verschillen van mening over de toepasselijkheid van artikel 8:55c Awb, dat door een Tijdelijke wet buiten toepassing is verklaard. Eiser beroept zich op een eerdere uitspraak die dit gedeelte onverbindend verklaarde, maar de rechtbank volgt dit niet en oordeelt dat de Tijdelijke wet geldig is en vaststelling van dwangsommen niet mogelijk is.

De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang. Wel veroordeelt zij verweerder in de proceskosten van eiser, omdat verweerder alsnog het besluit heeft genomen tijdens de procedure, wat als tegemoetkomen wordt gezien.

De proceskosten worden vastgesteld op €379,50, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht en een lichte wegingsfactor. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 28 juni 2022.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang; verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van €379,50.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL22.5209

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: D. Vos).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Verweerder heeft hierop instemmend gereageerd. Eiser heeft niet binnen de daartoe gestelde termijn gereageerd.
Bij besluit van 22 juni 2022 heeft verweerder eisers asielaanvraag ingewilligd.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag van eiser, dient te worden vastgesteld dat inmiddels alsnog een besluit op die aanvraag is genomen zodat eiser om die reden in zoverre geen procesbelang meer heeft bij dit beroep.
2. Een procesbelang kan nog wel zijn gelegen in eisers verzoek om vast te stellen hoeveel bestuurlijke dwangsommen er verbeurd zijn. Partijen zijn verdeeld over de vraag of een dergelijke vaststelling mogelijk is. In het verweerder wijst verweerder erop dat artikel 8:55c van de Awb, op grond waarvan de bestuursrechter op verzoek de verbeurde bestuurlijke dwangsommen kan vaststellen, door artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet) buiten toepassing is verklaard. Eiser wijst er echter op dat dit gedeelte van de Tijdelijke wet onverbindend is verklaard in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 22 april 2022. [1]
3. Deze rechtbank en zittingsplaats volgt het oordeel in de door eiser aangehaalde uitspraak niet. [2] Voor zover die uitspraak is gebaseerd op het Unierechtelijk gelijkwaardigheidsbeginsel [3] is deze rechtbank en zittingsplaats in navolging van zittingsplaats Arnhem [4] van oordeel dat een dergelijk beroep niet kan slagen omdat de asielprocedure diverse wezenlijke verschillen kent ten opzichte van andere procedures. Voor zover die uitspraak is gebaseerd op het recht op een daadwerkelijk en effectief rechtsmiddel [5] is deze rechtbank en zittingsplaats in navolging van zittingsplaats Rotterdam [6] van oordeel dat dit beroep niet kan slagen omdat met een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een asielaanvraag geen Unierecht ten uitvoer wordt gebracht. Deze rechtbank en zittingsplaats is dan ook van oordeel dat de Tijdelijke wet niet (deels) onverbindend is, zodat niet kan worden overgegaan tot het vaststellen van de verbeurde bestuurlijke dwangsommen. Dit levert dan ook niet alsnog procesbelang op, zodat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
4. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Ook wanneer een beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, bestaat daartoe de mogelijkheid. Dat is in het bijzonder het geval als het bestuursorgaan aan de indiener van het beroep is tegemoetgekomen. Dit volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 15 september 2021. [7] Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt verder dat sprake is van tegemoetkomen in situaties als die van eiser waarin hangende een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog een besluit wordt genomen, bijvoorbeeld de uitspraak van 3 juni 2015. [8] Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 379,50 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
 veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 379,50 (driehonderdnegenenzeventig euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

2.Aldus ook de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:3930.
3.Zoals onder meer uiteengezet in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 december 1976 (
4.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, 24 maart 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:1485.
5.Zoals onder meer neergelegd in artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
6.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, 22 januari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:402.