ECLI:NL:RBDHA:2023:12431

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 augustus 2023
Publicatiedatum
18 augustus 2023
Zaaknummer
SGR 22/2059
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 8:90 AwbArt. 8:94 AwbArt. 6:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schadevergoeding wegens rechtmatig besluit UWV in WAO-uitkering

Verzoeker heeft een schadevergoeding gevraagd wegens het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering te verlagen en de terugvordering van toeslagen. Het UWV stelde dat er geen onrechtmatig besluit was en dat daarom geen schadevergoeding toekomt.

De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 8:88 Awb Pro alleen schade vergoed kan worden als deze het gevolg is van een onrechtmatig besluit. Het besluit van 28 september 2020 is niet vernietigd en wordt daarom als rechtmatig beschouwd. Verzoeker heeft geen omstandigheden aangevoerd die een uitzondering rechtvaardigen.

Verder heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijk toeslagenschade heeft geleden. Het feit dat hij toeslagen heeft moeten terugbetalen, betekent niet automatisch dat er schade is door de nabetaling. Ook een vergoeding van proceskosten via het schadeverzoek is niet mogelijk.

Daarom wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelt zij verzoeker niet tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen wegens het ontbreken van een onrechtmatig besluit en onvoldoende aannemelijkheid van toeslagenschade.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/2059

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2023 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. D. Spiering-Kalay).

Procesverloop

Bij brief met bijlagen van 25 januari 2022 heeft verzoeker het Uwv verzocht om schadevergoeding.
Bij schadebesluit van 10 maart 2022 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen.
Verzoeker heeft op de afwijzing gereageerd bij brief van 25 maart 2022, die door het Uwv is doorgezonden aan de rechtbank [1] en is aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [2]
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2023. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote, [naam]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1.1.
Bij besluit van 24 maart 1997 is verzoeker per 21 april 1997 een uitkering toegekend op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%.
1.2.
Bij besluit van 30 september 2019 is de WAO-uitkering per 12 juni 2018 verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt.
1.3.
Op 25 november 2019 heeft het Uwv een besluit genomen over de nabetaling op grond van voormeld besluit van 30 september 2019. Het na verrekening met de bijstandsuitkering van verzoeker resterende bedrag aan nabetaling van € 718,65 bruto (€ 455,27 netto) is in het jaar 2019 aan verzoeker overgemaakt. Verzoeker is in dit besluit gewezen op de mogelijke gevolgen van nabetaling, onder meer voor toeslagen van de Belastingdienst. Tegen dat besluit is geen rechtsmiddel aangewend.
1.4.
Bij besluit van 28 september 2020 heeft het Uwv het bezwaar van verzoeker tegen voormeld besluit van 30 september 2019 gegrond verklaard en het besluit van 30 september 2019 herroepen omdat de grondslag onjuist was en de medische beoordeling diende te worden herzien. De WAO-uitkering is daarbij per 14 oktober 2020 verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%.
1.5.
Verzoeker heeft tegen voormeld besluit van 28 september 2020 beroep ingesteld dat bij uitspraak van deze rechtbank van 20 december 2021 (SGR 20/7001) ongegrond is verklaard. Bij uitspraak van 10 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:865, heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Standpunten
2. Verzoeker vraagt vergoeding van schade in verband met het alsnog verlagen van de WAO-uitkering bij het besluit op bezwaar van 28 september 2020 en het moeten terugbetalen van eerder ontvangen huur- en zorgtoeslag (toeslagenschade), alsmede het betalen van gemeentelijke belastingen en proceskosten.
3. Het Uwv handhaaft zijn standpunt in het schadebesluit dat verzoeker niet voor schadevergoeding in aanmerking komt omdat er geen onrechtmatig besluit is aan te wijzen.
Beoordeling
4. De rechtbank overweegt als volgt.
4.1.
Titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat een regeling voor een zelfstandige verzoekschriftprocedure bij de bestuursrechter voor schadeverzoeken wegens onrechtmatige besluiten en daarmee samenhangende voorbereidingshandelingen. In artikel 8:88 van Pro de Awb is (voor zover hier van belang) bepaald dat het moet gaan om schade als gevolg van een onrechtmatig besluit of onrechtmatige voorbereidingshandelingen daarvan.
Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en voorts dat alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. [3] Indien een besluit niet is vernietigd, dient in beginsel van de rechtmatigheid daarvan te worden uitgegaan. [4]
4.2.
Volgens verzoeker heeft hij schade geleden als gevolg van het besluit van 28 september 2020. Nu dit besluit niet is vernietigd, dient van de rechtmatigheid daarvan te worden uitgegaan. Van bijkomende omstandigheden die noodzaken tot een uitzondering op dit uitgangspunt [5] is de rechtbank niet gebleken. Nu aan het verzoek om schadevergoeding dus geen onrechtmatig besluit ten grondslag ligt, ontbreekt een oorzakelijk verband tussen de gestelde schade en een onrechtmatig besluit als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Awb. Voor schadevergoeding bestaat al daarom geen grond.
4.3.
Verzoeker heeft overigens ook niet aannemelijk gemaakt dat hij toeslagenschade heeft geleden. Het enkele feit dat hij over het belastingjaar 2020 te veel ontvangen toeslag heeft moeten terugbetalen, maakt op zichzelf niet dat sprake is van schade als gevolg van de nabetaling die in 2019 is gedaan. [6] Tot slot merkt de rechtbank op dat voor een aanvullende vergoeding van proceskosten langs de weg van een schadeverzoek geen plaats is. [7]
Conclusie
5. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het verzoek te worden afgewezen.
Proceskosten
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:94, eerste lid, in samenhang met artikel 6:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Als bedoeld in artikel 8:90 in Pro samenhang met artikel 8:88 van Pro de Awb.
3.Zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 14 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:310.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 maart 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO6051 en rechtsoverweging 6.5 van de uitspraak van de CRvB van 18 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:437.
5.Als bedoeld in rechtsoverweging 6.6 van de uitspraak van de CRvB van 18 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:437.
6.Vergelijk de uitspraak van de CRvB van 7 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1117, rov. 4.2.
7.Zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 23 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1155.