ECLI:NL:RBDHA:2023:19075

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 november 2023
Publicatiedatum
7 december 2023
Zaaknummer
NL23.33909
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring van beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling

De rechtbank Den Haag heeft op 9 november 2023 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende een maatregel van bewaring opgelegd aan een vreemdeling op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was al tweemaal eerder getoetst en werd toen als rechtmatig beoordeeld.

Het beroep richtte zich op het voortduren van de bewaring, waarbij eiser geen nieuwe gronden aanvoerde en niet verscheen op de zitting. Verweerder toonde aan dat er voldoende voortvarend is gehandeld, met meerdere lp-aanvragen bij de autoriteiten van Marokko en Algerije en actieve communicatie over de uitzetting.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet in strijd is met de Vreemdelingenwet 2000 of het Unierecht, mede omdat de Marokkaanse autoriteiten meewerken aan het verstrekken van reisdocumenten en nationaliteitsbevestigingen. Eiser wordt geacht actief mee te werken aan zijn uitzetting, wat niet is gebeurd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.33909

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum]
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. J. van Appia),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Procesverloop

Verweerder heeft op 1 september 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 3 november 2023 op zitting en met behulp van telehoren behandeld. Eisers gemachtigde is niet verschenen. Omdat er geen tolk was geregeld is eiser niet gehoord door de rechtbank. Verweerder heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al tweemaal eerder heeft getoetst. Uit de meeste recente uitspraak van 18 oktober 2023 (in de zaak NL23.31544) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 13 oktober 2023 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Eiser heeft geen gronden ingediend en het beroep ter zitting niet toegelicht.
4. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat er voldoende voortvarend is gehandeld, nu op 19 oktober de zaak van eiser nogmaals rechtstreeks onder de aandacht is gebracht van de bevoegde autoriteiten in Marokko en nu op 25 oktober 2023 een presentatie aan de autoriteiten van Algerije gepland stond. Tevens is voor beide landen op 2 november 2023 gerappelleerd op de lp-aanvraag.
5. De rechtbank stelt vast dat uit de voortgangsrapportage blijkt dat verweerder op 23 mei 2023 een lp-aanvraag naar de Marokkaanse autoriteiten heeft verzonden en op 3 augustus 2023 een lp-aanvraag naar de Algerijnse autoriteiten heeft verzonden. Uit de voortgangsrapportage volgt ook dat de zaak op 19 oktober 2023 nogmaals en rechtstreeks onder de aandacht gebracht van de bevoegde autoriteiten in Marokko en dat er bovendien een presentatie aan de autoriteiten van Algerije gepland stond op 25 oktober 2023. Eiser is daarbij niet verschenen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee actief en voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser.
6. De inbewaringstelling is in strijd met artikel 59, van de Vw 2000 en het Unierecht als zicht op uitzetting ontbreekt. Voor dat oordeel ziet de rechtbank geen aanleiding. Verweerder richt de uitzettingshandelingen namelijk terecht ook op Marokko. Dit, onder meer omdat eiser eerder heeft verklaard dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft. Dat eiser nadien heeft aangegeven dat hij niet de Marokkaanse nationaliteit heeft maar Algerijns is, betekent niet dat verweerder niet mag trachten een lp te verkrijgen bij de Marokkaanse autoriteiten. Daar bestaan thans genoeg aanknopingspunten voor. Dat verweerder tegelijkertijd probeert om een lp voor Algerije te krijgen maakt dit niet anders. Indien en zodra eiser aantoont Algerijns te zijn, kan verweerder opnieuw afwegen of de bewaring gehandhaafd moet worden.
6.1.
De autoriteiten van Marokko werken mee aan het verstrekken van reisdocumenten en ook vinden er nationaliteitsbevestigingen plaats. De rechtbank wijst daarbij op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 juni 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:8706). Op eiser rust bovendien de rechtsplicht Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer met zich mee dat eiser actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting dient te verlenen, zoals volgt uit de Afdelingsuitspraken van 13 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:85) en van 2 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2210). De rechtbank constateert dat eiser die medewerking niet verleent.
6.2.
Nu de Marokkaanse autoriteiten voldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen van de voor uitzetting benodigde documenten, is er geen grond voor het oordeel dat zij, indien de vreemdeling zijn medewerking verleent, geen lp op zijn naam willen verstrekken.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.