Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 25 juli 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond en tevens bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor toelating op reguliere gronden of uitstel van vertrek. Ook is bepaald dat dit besluit heeft te gelden als terugkeerbesluit en eiser geen vertrektermijn krijgt.
Overwegingen
verhoor” omdat het een “proces-verbaal van
gehoor” is- is onder meer het navolgende vermeld:
waaromde zeer summier beschreven gedragingen niet “overeenkomen met een minderjarige”. Er is vermeld dat betrokkene ongeïnteresseerd overkomt, maar eiser is niet geconfronteerd met dat hij deze indruk maakt, het is eiser niet gevraagd en het is dus niet duidelijk of eiser ook ongeïnteresseerd is. En ook indien een betrokkene ongeïnteresseerd is, is het de vraag of dat een indicatie voor minder- of meerderjarigheid is. Niet duidelijk is waarom de omstandigheid dat eiser veel vragen stelt en een folder leest een indicatie is voor minder- of meerderjarigheid. Uit het proces-verbaal kan ook niet worden opgemaakt of eiser is voorbereid op dit gehoor door een voogd of een advocaat. Het lezen van een folder en het stellen van veel vragen kan ook zijn gelegen in het eenvoudigweg niet weten wat van hem wordt verwacht en waartoe het gehoor dient. Eiser vraagt immers of dit gehoor “een interview” is. Het is niet duidelijk welke gedragingen worden gekwalificeerd als gedragingen van een minderjarige en welke gedragingen niet overeenkomen met gedragingen van een minderjarige en dus niet overeenkomen met gedragingen die -kennelijk- worden verwacht van een “jongere” die wordt geschouwd. Het is ook niet inzichtelijk wat de ervaringen en het referentiekader zijn van beide medewerkers van de Avim en of de gedragingen van eiser worden vergeleken met andere “jongeren” en of dat dan ook “jongeren” zijn met eenzelfde culturele identiteit, herkomst, verbale en sociale vaardigheden en levenservaringen. Ook is niet duidelijk of bij deze beoordeling wordt betrokken dat sprake is van een gehoorsetting, waarbij de inzet van de procedure een verzoek om internationale bescherming is en eiser in dit gesprek aannemelijk moet maken dat hij is wie hij zegt dat hij is. Het waarnemen en duiden van gedragingen in deze setting is niet vergelijkbaar met het observeren van gedragingen in een setting waarin de vreemdeling omgaat met leeftijdsgenoten, landgenoten en de uitkomst van de waarneming van die gedragingen niet bepalend is voor de beoordeling of internationale bescherming wordt verleend. Aan eiser wordt medegedeeld dat “hij verplicht is vragen naar waarheid te beantwoorden” en wordt vervolgens gevraagd “wat is de reden dat je hier bent”. Dit gehoor is dus geenszins vergelijkbaar met “een gewoon gesprek” tussen gelijkwaardige gesprekdeelnemers en het is de vraag of de gedragingen die eiser in dit gesprek vertoont een betrouwbare indruk geeft zijn identiteit. Daargelaten dat niet begrijpelijk is hoe deze beschreven gedragingen zijn te relateren aan de biologische leeftijd van eiser, is dus ook niet duidelijk of deze gedragingen van eiser worden vergeleken met gedragingen van anderen tijdens andere schouwen en of en in hoeverre dit de conclusie heeft beïnvloed of wellicht zelfs heeft bepaald. Tevens komt de vraag op of een kwalificatie/opleiding tot gedragsdeskundige vereist is om uitspraken te doen over gedragingen van “jongeren” die zich in deze gehoorsituatie bevinden. Er is vermeld dat de verklaringen betrokken zijn bij de conclusie, maar niet valt in te zien hoe deze dan zijn gewogen. Eiser verklaart immers dat hij minderjarig is. Uit de beschreven lichamelijke kenmerken volgen geen indicaties voor meerderjarigheid, althans dat veronderstelt de rechtbank gelet op de wijze van formuleren van de kenmerken. Dat duidt er immers op dat op grond van deze lichamelijke kenmerken een uitspraak kan worden gedaan over de biologische leeftijd van eiser en al die opgesomde kenmerken zijn bij eiser niet aanwezig. De rechtbank vraagt zich af of en waarom deze lichamelijke kenmerken ten grondslag gelegd kunnen worden aan de beoordeling 18+ of 18- omdat deze juridisch afbakening van minder- en meerderjarigheid scherp is en deze lichamelijke kenmerken veeleer indicaties lijken voor een grove inschatting van leeftijdscategorieën. De rechtbank acht onvoldoende gemotiveerd en inzichtelijk waarom op grond van deze schouwbeschrijvingen geconcludeerd wordt dat aan de verklaringen van eiser dat hij minderjarig is wordt getwijfeld.
8. LEEFTIJDSSCHOUW
wetenschapover zijn eigen leeftijd uit blijkt, toch geen twijfel aan de door hem gestelde geboortedatum oplevert.
óókeen bewijsmiddel is, ook indien hiervoor geen steunbewijs is. Voorts hoeft een AMV-er, net als meerderjarige vreemdelingen, zijn geboortedatum niet “aan te tonen”, maar slechts “aannemelijk” te maken, wat een lagere drempel is om de verklaringen geloofwaardig te kunnen en moeten achten.
kánworden gegund. Dit geldt temeer omdat de gevolgen aanzienlijk zijn als de vreemdeling zijn identiteit niet aannemelijk kan maken. Ook in de onderhavige procedure is dit geval. Doordat een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling wordt verricht, beïnvloedt het niet aannemelijk kunnen maken van de identiteit, óók de geloofwaardigheidsbeoordeling van de nationaliteit en herkomst. Indien dit element niet aannemelijk wordt geacht, wordt aan eiser reeds hierom geen internationale bescherming verleend. De rechtbank merkt op dat of eiser minderjarig of meerderjarig is, in wezen niet relevant is voor de toepassing van het landenbeleid Syrië, maar het niet aannemelijk kunnen maken van de gestelde minderjarigheid wél de geloofwaardigheidsbeoordeling van de nationaliteit en herkomst regardeert, terwijl verweerder ter zitting, desgevraagd, heeft bevestigd dat er geen indicaties zijn voor enig ander land van herkomst.
in het belang van eiseracht om te worden
herenigd met zijn directe familie.
in deze fase van de procedure- van uitgaat dat eiser minderjarig is en hij broers en een zus heeft die de Syrische nationaliteit hebben. Indien verweerder op het moment van claimen uit zou zijn gegaan van de meerderjarigheid van eiser, bestaat er immers geen aanleiding om op verzoek van de Duitse autoriteiten de familieband van eiser te onderbouwen en aan te geven hoe hij het belang van het kind inschat. Indien eiser meerderjarig is staat aan overdracht aan Duitsland niets in de weg. De rechtbank overweegt dat deze proceshouding van verweerder niet consistent is. Indien verweerder eiser meerderjarig acht hoeft in het claimverzoek enkel te worden gewezen op de registratie in Duitsland. Indien verweerder eiser minderjarig acht, dan dient afgezien te worden van het claimen tenzij dit in het belang van eiser is, waarbij heeft te gelden dat de Afdeling heeft aangeduid hoe verweerder het belang van het kind in Dublinzaken moet (laten) onderzoeken en verweerder, voor zover de rechtbank kan nagaan nog steeds niet doet. Verweerder lijkt door het op deze wijze te claimen hoe dan ook eiser te willen overdragen aan een andere lidstaat zodat er geen verantwoordelijk ontstaat om zelf de aanvraag van eiser te behandelen.
mogenuitgaan van een Eurodac-treffer en/of registratie van een geboortedatum in een andere lidstaat ook betekent dat verweerder deze registratie niet zomaar terzijde kan leggen bij zijn verdere beoordeling van het verzoek om internationale bescherming.
29 minutengeduurd. Tevens is in deze brief vermeld dat er gedurende dit gesprek geen andere aanwezigen waren en “Er geen medische informatie werd opgevraagd omdat er vanuit het eigen onderzoek voldoende informatie is verkregen om een advies uit te brengen.”
deze gehele proceduredient verweerder uit te gaan van de door eiser gestelde minderjarigheid. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van het EHRM van 21 juli 2022 in de zaak Darboe en Camara tegen Italië [9] , waar het EHRM het beginsel van “the presumption of minor age” uitlegt en toepast. In paragraaf 153-154 overweegt het EHRM als volgt:
dúsverweerder heeft trachten te misleiden. Deze wijze van afdoening heeft daarmee ook een psychologische component. Verweerder is gehouden nader te motiveren waarom hij niet op grond van de schouwen en de registratie in Duitsland de gestelde minderjarigheid aannemelijk heeft geacht. Verweerder heeft evenmin gemotiveerd waarom aan eiser niet het voordeel van de twijfel is gegund, maar een arts een aanvullende visuele inspectie heeft laten verrichten. De rechtbank overweegt dat verweerder terughoudend moet zijn met het aannemen dat hij wordt misleid en dat deze wijze van afdoening bovendien vereist dat verweerder zelf uiterst zorgvuldig en uiterst behoorlijk handelt en zijn besluitvorming bovendien baseert op “onderzoeksmethoden” die valide en wetenschappelijk onderbouwd en aanvaard zijn. De beoordeling van de gestelde minderjarigheid wordt betwist en staat dus niet in rechte vast. Juist vanwege die omstandigheid dient verweerder zich te realiseren wat de strekking is van de overweging dat eiser, die om internationale bescherming verzoekt en wellicht minderjarig is, de autoriteiten misleidt omdat de kwalificatie “misleiding” meer behelst dan het toekennen van juridische gevolgen door het bepalen van een afdoeningswijze van een aanvraag.
Beslissing
- houdt de behandeling van het beroep aan teneinde schouwopleiders van verweerder en Medifirst te kunnen horen op een nadere voortzetting van het onderzoek ter zitting en zal daartoe oproepingen doen uitgaan;
- verzoekt verweerder de conclusie die is gevolgd uit de taalopname zoals overwogen in rechtsoverweging 51 aan het dossier toe te voegen;
- houdt iedere verdere beslissing aan.