Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
toevoegingskenmerk 2PI5366),
1.Het procesverloop
De werknemer heeft ook een verzoek ingediend om op grond van artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een voorlopige voorziening te treffen.
Rechtbank Den Haag
De werknemer, werkzaam als verzorgende, werd op 14 oktober 2022 op staande voet ontslagen na ziekmelding en observaties door een bedrijfsrecherche. De werkgever stelde dat de werknemer onjuiste ziekmeldingen had gedaan en haar re-integratie had belemmerd. De werknemer betwistte dit en vorderde vernietiging van het ontslag en loondoorbetaling.
De rechtbank oordeelde dat het ontslag op staande voet een ultimum remedium is en dat de werkgever onvoldoende bewijs had geleverd voor de dringende reden. Het deskundigenoordeel van het UWV en de bedrijfsarts bevestigden de arbeidsongeschiktheid van de werknemer. Observaties van de bedrijfsrecherche waren onvoldoende om het ontslag te rechtvaardigen.
De rechtbank vernietigde het ontslag en veroordeelde de werkgever tot betaling van 70% van het loon vanaf 1 oktober 2022, vermeerderd met vakantietoeslag en wettelijke verhoging van 30%. Daarnaast werd de werkgever veroordeeld tot het verstrekken van loonstroken en betaling van proceskosten. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de werkgever werd afgewezen vanwege het opzegverbod bij ziekte.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt vernietigd en de werkgever wordt veroordeeld tot loondoorbetaling met wettelijke verhoging en proceskostenvergoeding.