Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 2 december 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Overwegingen
4. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, hoeft het onderzoek naar adequate opvang in het kader van de asielprocedure niet in alle gevallen te zijn afgerond voordat de asielaanvraag wordt afgewezen. Als het onderzoek naar adequate opvang in het land van terugkeer meer tijd nodig heeft, kan de staatssecretaris volstaan met een afwijzend besluit op de asielaanvraag, zonder dat dit besluit van rechtswege geldt als terugkeerbesluit. Niettemin heeft de rechtbank het besluit van 2 september 2021 terecht vernietigd en de staatssecretaris opgedragen om een nieuw besluit te nemen. De staatssecretaris heeft namelijk geen deugdelijke verklaring gegeven voor het feit dat het onderzoek naar adequate opvang nog niet is afgerond of nog moet plaatsvinden. Evenmin heeft hij in het besluit uiteengezet welk onderzoek hij nog zou doen en hoe lang dat naar verwachting zou duren.
- Een snelle hereniging met ouder(s) of andere volwassenen die volgens de wet of het gewoonterecht gezag hebben in het belang van het kind is.
- Een snelle terugkeer gewenst is naar het land waarvan het kind de taal spreekt.
- Een snelle terugkeer gewenst is naar het land waar het kind is opgegroeid.
- Gelet op het korte verblijf in Nederland van betrokkene zijn er nog geen wezenlijke banden met Nederland opgebouwd.
- Er niet is gebleken van bijzondere kwetsbaarheid dan wel ernstige fysieke of mentale problemen.
ditkind is en wie dit gaat onderzoeken. De rechtbank overweegt reeds nu dat de overweging in het voornemen dat “
geen vertrekplicht wordt opgelegd, totdat gebleken is dat er adequate opvang aanwezig is, of dat de leeftijd van 18 jaar is bereikt.” Geen stand houdt. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 13 januari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:114), waarin de rechtbank onder meer het navolgende heeft overwogen:
4. Aangezien de staatssecretaris heeft nagelaten de redenen toe te lichten voor de vertraging van het onderzoek naar adequate opvang dat had moeten plaatsvinden toen de vreemdeling minderjarig was, faalt ook zijn klacht in de vierde grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij moet bezien of de vreemdeling vanaf zijn achttiende eventueel in aanmerking komt voor een voortgezet verblijfsrecht. De staatssecretaris kan niet volstaan met de opmerking dat de vreemdeling inmiddels meerderjarig is en daarom het onderzoek naar adequate opvang niet meer aan de orde is. Daarmee gaat hij zijn verantwoordelijkheid om inzichtelijk te maken wat hij in de periode voordat de vreemdeling meerderjarig werd aan onderzoek heeft verricht, uit de weg. De rechtbank heeft het besluit van 12 maart 2020 en het (opnieuw genomen) terugkeerbesluit van 6 augustus 2021 om deze reden terecht vernietigd. De staatssecretaris moet een nieuw besluit op de aanvraag nemen en zal moeten onderzoeken of de vreemdeling alsnog in aanmerking komt voor een (voortgezet) verblijfsrecht op reguliere gronden. Bij die afweging moet hij de vraag of hij voldoende voortvarend heeft gehandeld, op kenbare wijze in aanmerking nemen. Daarbij kan hij betekenis toekennen aan de leeftijd van de vreemdeling ten tijde van de asielaanvraag in Nederland, afgezet tegen de beslistermijn op de asielaanvraag van in beginsel zes maanden en de duur van het onderzoek die als redelijk kan worden aangemerkt. De Afdeling verwijst verder naar wat zij in haar uitspraak van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1532, onder 7, heeft overwogen.
voor eiserals adequaat valt aan te merken. Verweerder heeft aangegeven op dat hij op uitgebreidere wijze dan dat hij thans reeds heeft gedaan zal beoordelen wat het belang van het kind is in de onderhavige procedure en ook dat zal de rechtbank dan beoordelen.
Beslissing
- stelt verweerder in de gelegenheid binnen vier weken na bekendmaking van deze uitspraak informatie te verstrekken over het onderzoek naar adequate opvang en meer in het bijzonder welke onderzoekshandelingen verweerder reeds heeft verricht, welke onderzoekshandelingen verweerder zal gaan verrichten en op welke termijn en hoeveel tijd daarmee concreet gemoeid zal zijn;
- houdt iedere verdere beslissing aan.