ECLI:NL:RBDHA:2023:5174
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Italië
Eiser, een Syrische nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 28 augustus 2022 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Italië verantwoordelijk werd geacht volgens de Dublinverordening. Uit Eurodac-gegevens bleek dat eiser op 5 augustus 2022 illegaal Italië was binnengekomen, waarna Nederland een verzoek tot overdracht aan Italië richtte. Italië reageerde niet binnen de gestelde termijn, waardoor de verantwoordelijkheid bij Italië kwam te liggen.
Eiser stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer van toepassing was vanwege een fictief claimakkoord en een circular letter van 5 december 2022 waarin Italië tijdelijke opschorting van overdrachten verzocht wegens opvangproblemen. De rechtbank oordeelde dat deze opschorting een tijdelijk feitelijk overdrachtsbeletsel vormt en geen structurele tekortkomingen of schending van verdragsverplichtingen inhoudt. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat Italië zijn internationale verplichtingen niet zou nakomen.
De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die het interstatelijk vertrouwensbeginsel bevestigen en het tijdelijke karakter van de opschorting onderstrepen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard omdat Italië verantwoordelijk blijft en het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt.