ECLI:NL:RBDHA:2023:6068
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige oplegging en opheffing maatregel vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende toetsing strafrechtelijke antecedenten
Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, werd op 5 april 2023 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht op basis van de Dublinverordening en een risico op het onttrekken aan toezicht. De rechtbank constateert dat de feitelijke gronden voor de bewaring juist zijn en de maatregel in beginsel kan dragen.
Eiser stelde dat de ophouding onrechtmatig was omdat hij vroeg in de ochtend werd opgeroepen, maar de rechtbank oordeelt dat dit geen schending opleverde aangezien de ophouding binnen de toegestane termijn bleef. Echter, de rechtbank stelt vast dat verweerder voorafgaand aan de oplegging van de maatregel niet het Openbaar Ministerie heeft geraadpleegd over mogelijke bezwaren tegen overdracht, noch een uittreksel uit de justitiële documentatie heeft opgevraagd, terwijl eiser bekend was bij de strafrechtketen.
Deze nalatigheid maakt de maatregel van bewaring onrechtmatig vanaf het moment van oplegging. De rechtbank beveelt onmiddellijke opheffing van de maatregel en invrijheidstelling van eiser. Tevens kent zij een schadevergoeding toe voor 22 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser. Het beroep wordt gegrond verklaard.
Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig en wordt onmiddellijk opgeheven met toekenning van schadevergoeding en proceskosten.