ECLI:NL:RBDHA:2023:8408
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid bezwaar tegen intrekking verblijfsvergunning wegens termijnoverschrijding
Eiser maakte bezwaar tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning, die op 2 juli 2019 door de staatssecretaris was genomen. De staatssecretaris verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingediend. De rechtbank beoordeelde de ontvankelijkheid van het bezwaar zonder zitting, omdat dit niet noodzakelijk werd geacht.
De kern van het geschil betrof de vraag of het besluit van 2 juli 2019 op de voorgeschreven wijze was bekendgemaakt. Eiser stelde dat het besluit pas in juli 2022 bij zijn gemachtigde was ontvangen en dat het niet aangetekend was verzonden. De staatssecretaris toonde aan dat het besluit op 3 juli 2019 via een deugdelijk verzendregistratiesysteem naar het laatst bekende adres van eiser was verzonden.
De rechtbank oordeelde dat de verzending aannemelijk was gemaakt en dat eiser onvoldoende feiten had gesteld om ontvangst te betwijfelen. Ook was het niet aannemelijk dat het besluit aan de gemachtigde had moeten worden verzonden. Omdat eiser de termijnoverschrijding niet had toegelicht, was deze niet verschoonbaar. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bezwaar niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de intrekking van de verblijfsvergunning is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.