Salon Good, een schoonheidsbedrijf uit Zoetermeer, diende op 6 april 2020 een aanvraag in voor een tegemoetkoming in loonkosten op grond van de NOW-1 regeling. De minister kende een voorschot van €5.598 toe, maar wees de definitieve aanvraag af en vorderde het voorschot terug. Salon Good maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank behandelde het beroep op 19 december 2022 en oordeelde dat de bezwaarprocedure correct was gevolgd en dat de minister niet verplicht was een onafhankelijke commissie in te schakelen. Het geschil spitste zich toe op de gehanteerde referentieomzet en omzetdalingsperiode. De rechtbank volgde de minister in het standpunt dat de referentieomzet het kalenderjaar 2019 gedeeld door vier is, en dat afwijking alleen mogelijk is bij evidente overmacht, wat niet het geval was.
Ook de keuze van de omzetdalingsperiode, een aaneengesloten periode van drie maanden startend op 1 maart, 1 april of 1 mei 2020, moest volgens de rechtbank worden gerespecteerd zoals ingevuld bij de aanvraag. Wijziging achteraf was niet toegestaan, omdat dit uitvoeringstechnisch niet haalbaar is en de regeling eenduidigheid en eenvoud nastreeft.
De rechtbank concludeerde dat de toepassing van de NOW-1 regeling in deze zaak niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel of andere bestuursrechtelijke beginselen. De belangen van Salon Good worden niet onevenredig benadeeld, ook al pakt de regeling nadelig uit. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.