ECLI:NL:RBDHA:2023:968
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen intrekking rechtmatig verblijf gemeenschapsonderdaan
Eiser, een Poolse gemeenschapsonderdaan, kreeg op 10 mei 2022 een besluit dat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en moest binnen 28 dagen vertrekken. Dit besluit werd op 13 september 2022 bevestigd met een vertrektermijn van een maand. Eiser stelde beroep in tegen dit bestreden besluit en voerde aan dat verweerder onvoldoende rekening hield met zijn persoonlijke omstandigheden, zoals zijn werkverleden, onvrijwillige werkloosheid door een gebroken been en zijn jonge leeftijd.
De rechtbank stelde vast dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan en dat verweerder een zorgvuldige belangenafweging had gemaakt. Hierbij woog mee dat eiser geen vaste verblijfplaats in Nederland heeft, geen middelen van bestaan, geen ziektekostenverzekering en dat hij regelmatig door de politie werd staande gehouden wegens overtredingen.
Hoewel eiser affiniteit met de Nederlandse arbeidsmarkt claimde, bleek hij niet actief op zoek naar werk. De rechtbank oordeelde dat de vertrektermijn van een maand conform artikel 30 lid 3 van Pro de Verblijfsrichtlijn is en dat de formulering in het besluit geen onrechtmatigheid opleverde. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van het rechtmatig verblijf en de vertrektermijn van een maand wordt ongegrond verklaard.