ECLI:NL:RBDHA:2024:1313
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet-tijdig beslissen en inwilligend asielbesluit
Eiser heeft op 15 mei 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 14 juli 2022. Verweerder heeft op 22 september 2023 de asielaanvraag ingewilligd. Ondanks het inwilligend besluit heeft eiser zijn beroep gehandhaafd en beroepsgronden ingediend tegen dit besluit.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen kennelijk niet-ontvankelijk is omdat met het inwilligen van de aanvraag het procesbelang is komen te vervallen. Daarnaast stelt eiser dat hem een asielvergunning op de a-grond (artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw) moet worden verleend, terwijl verweerder een vergunning op de b-grond heeft toegekend. De rechtbank volgt vaste rechtspraak dat een beroep tegen een vergunning op de b-grond geen procesbelang oplevert voor een vergunning op de a-grond, waardoor ook dit beroep niet-ontvankelijk is.
Verder is vastgesteld dat de wettelijke beslistermijn van zes maanden is verlengd met negen maanden door de inwerkingtreding van de WBV 2022/22, waardoor de termijn voor eiser pas op 14 oktober 2023 eindigt. De ingebrekestelling van 12 april 2023 was dus te vroeg ingediend en voldoet niet aan de vereisten van artikel 6:12 Awb Pro. Een proceskostenveroordeling wordt daarom afgewezen.
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en wijst daarmee de vorderingen van eiser af.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.