ECLI:NL:RBDHA:2024:13227

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 augustus 2024
Publicatiedatum
20 augustus 2024
Zaaknummer
NL 24 9046
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 42 Vreemdelingenwet 2000Art. 35 Procedurerichtlijn 2013/32/EU
Verwijzingen
14 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens prematuur ingebrekestelling bij asielaanvraag Dublinprocedure

Eiser diende op 5 maart 2024 beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 19 november 2022. De rechtbank beoordeelde het beroep zonder zitting omdat verweerder geen verweerschrift had ingediend.

De rechtbank overwoog dat de beslistermijn voor asielaanvragen in beginsel zes maanden bedraagt, maar verlengd kan worden tot maximaal 21 maanden in het kader van de Dublinverordening en de Procedurerichtlijn. Eiser had eerder een asielverzoek ingediend in Frankrijk, dat op 23 januari 2023 werd afgewezen, waarna Nederland verantwoordelijk werd.

De beslistermijn liep daardoor tot 23 juli 2023, verlengd met negen maanden tot 23 april 2024 door een wijziging in de Vreemdelingencirculaire. Eiser stelde verweerder op 19 februari 2024 in gebreke, maar dit was prematuur omdat de beslistermijn toen nog niet verstreken was.

Omdat niet voldaan was aan de vereisten voor een geldige ingebrekestelling, verklaarde de rechtbank het beroep kennelijk niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens een prematuur ingediende ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.9046

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Inleiding

Eiser heeft op 5 maart 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 19 november 2022.
Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. De rechtbank overweegt dat verweerder in beginsel op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw [2] binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een besluit op de asielaanvraag moet nemen. Op grond van artikel 42, zesde lid, van de Vw geldt een uitzondering als in het kader van de asielaanvraag wordt onderzocht of op grond van de Dublinverordening [3] een andere lidstaat voor de behandeling van de aanvraag verantwoordelijk is. In zo’n geval vangt de beslistermijn van verweerder aan op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Hierbij mag de maximale termijn van 21 maanden die volgt uit artikel 35, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn [4] , niet worden overschreden.
3. Eiser heeft op 19 november 2022 een asielaanvraag ingediend. Eiser had hiervoor echter al een verzoek ingediend in een andere Dublin-lidstaat, namelijk Frankrijk. Op 12 januari 2023 is een terugnameverzoek aan Frankrijk ingediend. Dit verzoek is door Frankrijk op 23 januari 2023 afgewezen. Nederland is daarom op 23 januari 2023 verantwoordelijk geworden voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag.
4. De wettelijke beslistermijn van zes maanden zou in geval van eiser op 23 juli 2023 eindigen. Verweerder heeft met de inwerkingtreding van WBV 2022/22 [5] de beslistermijn met ingang van 27 september 2022 verlengd met negen maanden, waardoor deze voor eiser op 23 april 2024 is geëindigd. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraken van 21 maart 2023 [6] geoordeeld dat deze verlenging rechtsgeldig is. De rechtbank ziet geen reden om in deze zaak van dit oordeel af te wijken. De omstandigheid dat de Afdeling [7] prejudiciële vragen heeft gesteld [8] aan het Hof [9] , vormt geen aanleiding om de zaak aan te houden tot het Hof die vragen heeft beantwoord.
5. Eiser heeft verweerder op 19 februari 2024 in gebreke gesteld. Op dat moment was de wettelijke beslistermijn nog niet verstreken. Dat maakt dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend en niet geldig is. Nu niet aan de vereisten van artikel 6:12 van Pro de Awb is voldaan, is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 19 augustus 2024 door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Verordening (EU) Nr. 604/2013.
4.Richtlijn 2013/32/EU.
5.Besluit van 21 september 2022, nummer WBV 2022/22, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2022 nr. 25775; in werking getreden op 27 september 2022.
7.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.Verwijzingsuitspraak 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125.
9.Hof van Justitie van de Europese Unie.