ECLI:NL:RBDHA:2024:14880
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- F. Sijens
- D.G. van den Berg
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring van beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling
De minister heeft op 8 juli 2024 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 6 september 2024 behandeld en het onderzoek gesloten.
Eiser voerde aan dat het voortduren van de bewaring onrechtmatig is wegens gebrek aan voortvarendheid, geen zicht op uitzetting binnen redelijke termijn, disproportionaliteit, ontbreken van een redelijke belangenafweging en schending van artikelen 5 en 8 EVRM. De rechtbank oordeelde dat er geen aanleiding is om te concluderen dat zicht op uitzetting ontbreekt, mede omdat de Gambiaanse autoriteiten de identiteit van eiser niet betwisten.
Verder stelde de rechtbank vast dat eiser onvoldoende medewerking verleent aan zijn uitzetting, ondanks zijn vrees en PTSS, die niet voldoende zijn onderbouwd. De belangenafweging door de minister is op meerdere momenten gemaakt en voldoende gemotiveerd. De minister heeft voortvarend gehandeld door meerdere rappelleringen en vertrekgesprekken te voeren.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel proportioneel is en dat geen sprake is van een onrechtmatige inbreuk op artikel 8 EVRM Pro. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.