Uitspraak
1.[bedrijfsnaam 1] V.O.F.,
2. [vennoot 1] , VENNOOT VAN VERWEERSTER SUB 1,
Rechtbank Den Haag
In deze arbeidsrechtelijke procedure staat de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet van [naam 1] centraal, na een conflict met zijn werkgever [bedrijfsnaam 1] en diens vennoten. Op 22 juni 2024 ontstond een incident waarbij sprake was van een fysieke confrontatie tussen partijen, waarna [naam 1] op staande voet werd ontslagen. De kantonrechter beoordeelt of er sprake is van een dringende reden voor het ontslag.
De kantonrechter stelt vast dat de verklaringen van partijen over het incident lijnrecht tegenover elkaar staan en dat het bewijs onvoldoende is om het ontslag te rechtvaardigen. De arbeidsovereenkomst kon derhalve niet met onmiddellijke ingang worden beëindigd. [naam 1] berust inmiddels in de beëindiging en vordert een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever.
De kantonrechter weegt mee dat de arbeidsverhouding al verstoord was en dat [naam 1] zich ook verwijtbaar heeft gedragen, maar dat het ontslag op staande voet onterecht was. Daarom wordt een billijke vergoeding van € 4.000,- netto toegekend. Daarnaast wordt een bedrag van € 3.428,- netto aan achterstallig salaris toegewezen, evenals een vergoeding van € 2.117,50 voor advocaatkosten. Het verzoek van [bedrijfsnaam 1] tot schadevergoeding wegens dringende reden wordt afgewezen. Proceskosten worden deels toegewezen en deels gecompenseerd.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig; toekenning van billijke vergoeding, achterstallig salaris en advocaatkosten aan [naam 1].