Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1], alias [naam 2], eiser,
,(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Rechtbank Den Haag
Eiser is sinds januari 2024 in vreemdelingenbewaring gesteld en heeft meerdere keren beroep ingesteld tegen deze maatregel. Na een opheffing van de bewaring op 3 oktober 2024 wegens onjuiste grondslag, waarbij de minister volledige schadevergoeding en proceskosten heeft aangeboden, is eiser opnieuw in bewaring gesteld op een andere wettelijke grondslag. Eiser stelde beroep in tegen deze nieuwe maatregel en verzocht om onmiddellijke invrijheidstelling.
De rechtbank oordeelt dat nu de eerdere bewaring is opgeheven en volledige schadevergoeding is aangeboden, eiser geen procesbelang heeft bij het beroep tegen de voortgezette bewaring. Het beroep op artikel 5, vierde lid van het EVRM en het verzoek om onmiddellijke invrijheidstelling leiden niet tot een ander oordeel, omdat de nieuwe maatregel op een andere grondslag berust en in een aparte procedure wordt getoetst.
De rechtbank concludeert dat er een doeltreffend rechtsmiddel beschikbaar is en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Er worden geen verdere proceskosten toegekend. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortgezette maatregel van vreemdelingenbewaring wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.