ECLI:NL:RBDHA:2024:16873
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
Eiser is op 8 augustus 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 11 oktober 2024 behandeld via telehoren.
Eiser betoogde dat er geen zicht is op uitzetting vanwege het uitblijven van reactie van het Algerijnse consulaat en onvoldoende voortvarendheid van de minister. Ook stelde hij dat de detentie voor hem onevenredig bezwarend is door zijn psychische problematiek en medische situatie.
De rechtbank oordeelt dat er wel degelijk zicht is op uitzetting, mede door medewerking van Marokkaanse autoriteiten en het feit dat eiser onvoldoende meewerkt aan zijn uitzetting. De minister werkt voldoende voortvarend aan de uitzetting. De medische situatie van eiser rechtvaardigt geen lichter middel; de beschikbare medische zorg in detentie is adequaat en er is geen sprake van detentieongeschiktheid.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.