ECLI:NL:RBDHA:2024:17822
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel Kroatië
Eiser, van Syrische nationaliteit, diende op 20 april 2024 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië als verantwoordelijke lidstaat was aangewezen op grond van de Dublinverordening. Nederland had een verzoek tot terugname aan Kroatië gedaan, waarop Kroatië niet binnen de gestelde termijn reageerde, waardoor Kroatië verantwoordelijk bleef.
Eiser betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer toegepast kon worden vanwege recente jurisprudentie en de problematische situatie in Kroatië, waaronder risico's op pushbacks en ontoereikende opvangvoorzieningen. De rechtbank oordeelde echter dat de minister nog steeds terecht van dit vertrouwensbeginsel mag uitgaan, omdat er geen concrete aanwijzingen zijn dat Kroatië structureel tekortschiet en eiser zelf geen bewijs leverde van persoonlijke nadelen.
Daarnaast stelde eiser dat de minister op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening de aanvraag onverplicht had moeten behandelen vanwege bijzondere, individuele omstandigheden, waaronder mishandeling en onmenselijke behandeling in Kroatië. De rechtbank verwierp dit standpunt, stellende dat de minister deze persoonlijke omstandigheden reeds had betrokken bij de beoordeling van het vertrouwensbeginsel en dat geen nieuwe omstandigheden waren aangevoerd die een onverplichte behandeling rechtvaardigen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit van de minister. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door rechter Derksen en griffier El-Amrani op 28 oktober 2024.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.