ECLI:NL:RBDHA:2024:17822

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 oktober 2024
Publicatiedatum
31 oktober 2024
Zaaknummer
NL24.36565
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 25 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel Kroatië

Eiser, van Syrische nationaliteit, diende op 20 april 2024 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië als verantwoordelijke lidstaat was aangewezen op grond van de Dublinverordening. Nederland had een verzoek tot terugname aan Kroatië gedaan, waarop Kroatië niet binnen de gestelde termijn reageerde, waardoor Kroatië verantwoordelijk bleef.

Eiser betoogde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer toegepast kon worden vanwege recente jurisprudentie en de problematische situatie in Kroatië, waaronder risico's op pushbacks en ontoereikende opvangvoorzieningen. De rechtbank oordeelde echter dat de minister nog steeds terecht van dit vertrouwensbeginsel mag uitgaan, omdat er geen concrete aanwijzingen zijn dat Kroatië structureel tekortschiet en eiser zelf geen bewijs leverde van persoonlijke nadelen.

Daarnaast stelde eiser dat de minister op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening de aanvraag onverplicht had moeten behandelen vanwege bijzondere, individuele omstandigheden, waaronder mishandeling en onmenselijke behandeling in Kroatië. De rechtbank verwierp dit standpunt, stellende dat de minister deze persoonlijke omstandigheden reeds had betrokken bij de beoordeling van het vertrouwensbeginsel en dat geen nieuwe omstandigheden waren aangevoerd die een onverplichte behandeling rechtvaardigen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit van de minister. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door rechter Derksen en griffier El-Amrani op 28 oktober 2024.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.36565

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2024 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J. Nourhussen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 12 september 2024 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] Eiser heeft de Syrische nationaliteit. Hij heeft op 20 april 2024 asiel aangevraagd in Nederland. Nederland heeft bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft niet binnen twee weken gereageerd waardoor de verantwoordelijkheid op grond van artikel 25, tweede lid van de Dublinverordening vaststaat. De minister neemt de aanvraag daarom niet in behandeling.
Mag de minister uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Kroatië?
5. Eiser voert aan dat de minister niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan gaan ten aanzien van Kroatië. Sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 september 2023 [2] zijn er nieuwe ontwikkelingen in de rechtspraak. Zo blijkt dat de Afdeling een zitting heeft gehouden over de vraag of nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan gezien de situatie over de opvangvoorzieningen en het risico op pushbacks in Kroatië. Ook heeft de Afdeling vragen gesteld aan de minister mede gelet op het arrest van het Hof van justitie van 29 februari 2024. [3] De minister moet daarom nader onderzoek doen naar de situatie van Dublinterugkeerders in Kroatië. [4]
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024 [5] mag de minister bij de toepassing van de Dublinverordening voor Kroatië nog steeds uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Niet is gebleken van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Kroatië waarvan de minister niet onkundig kon zijn en op grond waarvan hij de in die zaak betrokken vreemdeling niet had mogen overdragen aan Kroatië. Deze rechtbank en zittingsplaats is eerder ook tot dat oordeel gekomen. [6] Gelet op het betoog van eiser is er geen aanleiding voor een ander oordeel. Niet is gebleken of gesteld dat eiser zelf slachtoffer is geweest van pushbacks of nadeel heeft ondervonden van het gestelde tekort in opvangvoorzieningen in Kroatië. De minister heeft er hierbij terecht op gewezen dat niet gebleken is dat eiser bij voorkomende problemen niet kan klagen bij de Kroatische autoriteiten.
Had de minister de asielaanvraag onverplicht moeten behandelen?
6. Eiser voert aan dat de minister toepassing had moet geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij, gelet op de persoonlijke ervaringen van eiser, de asielaanvraag niet onverplicht moet behandelen. [7] Zo hebben de Kroatische autoriteiten hem op onmenselijke wijze behandeld. Nadat eiser was aangehouden werd hij drie dagen lang vastgehouden zonder eten. Eiser moest zelf zijn eten halen en daarvoor zelf betalen. Ook werd hij zonder respect voor zijn privacy – naakt – gefouilleerd. Naar een dergelijk land wenst eiser niet terug te keren. Eiser is geduwd, beledigd, zijn telefoon is beschadigd, zijn medische verklaring is verscheurd en zijn herniamedicatie is afgepakt. Verder moest hij onder dwang zijn vingerafdrukken afgeven en moest hij lang in een politiewagen doorbrengen, om vervolgens bij een station afgezet te worden. Eiser merkt verder op dat de beoordeling of overdracht getuigt van onevenredige hardheid een andere beoordeling is dan die van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [8]
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft niet ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De minister trekt een asielaanvraag onverplicht aan zich onder andere als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht aan de andere lidstaat van onevenredige hardheid getuigt. [9] De aangevoerde omstandigheden hebben betrekking op de vraag of er concrete aanwijzingen zijn dat Kroatië zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Deze persoonlijke ervaringen in Kroatië zijn daarnaast al door de minister in de besluitvorming betrokken bij de beoordeling of nog mag worden uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister hoeft dezelfde persoonlijke ervaringen in dat geval niet nogmaals te toetsen in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. [10] Dit oordeel heeft de Afdeling recent herhaald. [11] Eiser heeft geen andere omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden, waardoor de minister de asielaanvraag van eiser aan zich moet trekken.
Verwijzing naar hetgeen eerder in de procedure is aangevoerd
7. Eiser verzoekt voor het overige om dat wat eerder in de procedure is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep. Omdat de minister hier in het bestreden besluit op in is gegaan en eiser deze gronden, anders dan hiervoor al besproken, in beroep niet nader heeft onderbouwd, kan de enkele verwijzing naar de zienswijze niet leiden tot het daarmee door eiser beoogde resultaat.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.ABRvS 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3411.
3.HvJEU 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195.
4.Rb. Den Haag (zp. ’s-Hertogenbosch) 20 augustus 2024, zaaknummer: NL24.23789 (niet gepubliceerd). Rb. Den Haag (zp. ’Amsterdam) 17 juli 2024, zaaknummer: NL23.22621 (niet gepubliceerd). Rb. Den Haag (zp. ’s-Hertogenbosch) 6 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:1226.
5.ABRvS 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037.
6.ABRvS 8 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:16284.
7.Rb. Den Haag (zp. Amsterdam) 6 augustus 2024, zaaknummer: NL24.21241 (niet gepubliceerd).
8.Rb. Den Haag (zp. Amsterdam) 30 juli 2024, zaaknummer: NL24.23250 (niet gepubliceerd).
9.Dat staat in artikel 17 van Pro de Dublinverordening, nader ingevuld in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
10.ABRvS 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164.
11.Zie ABRvS 30 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1778 & ABRvS 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1860.